12 juni 2011

The Hangover Part II (2011)

The Hangover was een redelijk toffe film: in een tijd waar nu eenmaal geen écht goede komedies gemaakt worden (in de pakweg laatste vijf jaren schieten enkel Black Dynamite en In the Loop mij te binnen) stond deze wel degelijk boven de absolute rotzooi die er geproduceerd wordt in het romcom- en 'Voorzetsel Movie'-wereldje. Het kan zich niet meten met diverse Brooks of Zucker producties, maar het staat duidelijk boven de huidige middelmaat. Gezien de film schandalig veel geld binnenhaalde werd er heel snel een sequel ineen geflanst, en dat is pijnlijk duidelijk geworden in het eindresultaat. The Hangover Part II werd in sneltempo gemaakt terwijl het publiek nog warm was voor het origineel, het plot (nog steeds rechtstreeks van Dude, Where's My Car? overgeheveld) is een identiek framework waar grappige situaties en goede grappen ingeschreven konden worden. En zo'n luie aanpak... tja, het stoort mij niet bij komedies. Een komedie staat nog steeds op het aantal goede grappen en situaties, niet op de originaliteit van het overkoepelende verhaal. Jammer dus dat ik op moment van schrijven niet op één lachwekkend of enigszins memorabel element van de film kan komen.

The Hangover was dan wel eerder grappig door zijn situaties dan door effectieve grappen, maar toch was de film behoorlijk scherp geschreven. Er was "paging doctor faggot", er was de masturberende baby, er was de Holocaust-ring, en zo kunnen we nog wel een tijdje doorgaan. Lang niet allemaal momenten om hardop mee te lachen, maar wel consequent amusant en er was gewoon heel goed over het script nagedacht. Daar was voor deze sequel geen tijd voor: alles moest snel gebeuren, wat leidde tot een barrage van platte moppen en makkelijke humor. En bij momenten worden er al eens dingen overgenomen van de eerste film (Mike Tyson is weer terug) of worden die vervangen door iets anders (de gestolen tijger uit deel 1 is deze keer een gekidnapt, rokende aapje met een Rolling Stones vest). Bijgevolg voelt de film herhalend aan zonder echt een nieuwe insteek te hebben, en heeft The Hangover Part II alle moeite om je aandacht vast te houden, laat staan je te laten lachen.

Zack Galifianakis is daar een mooi voorbeeld van. Waar hij in de eerste film nog een kinderlijke charme had is hij hier de helft van de tijd gewoonweg vervelend. Hij heeft nog altijd vlagen waarin hij vrij geestig voor de dag kan komen, maar door het zwakke materiaal werkt dat lang niet zo vaak als in de eerste film. Zo heeft hij bijvoorbeeld een tiental slapstick momenten waar hij struikelt en op de grond valt: zelfs één van de Marx-broertjes zou dat in deze tijd niet meer grappig kunnen maken. Nog veel vervelender is Ken Jeong, die veel meer schermtijd krijgt dan in de eerste film. Het was alweer een tijdje geleden dat ik een acteur zichzelf zo schaamteloos belachelijk zag maken als hij: enorm over the top flamboyant en verwijfd, en simpelweg irritant om bezig te zien.

De rest van de cast doet het even goed als in de eerste en weten de film nog enigszins draaglijk te maken, maar komen niet in de buurt van het redden van deze desastreuze sequel. Het script is gewoon enorm zwak. Of het nu visuele grappen zijn (zoals Ken Jeong met een miniscuul klein pietje) of de platte grappen (Ed Helms heeft seks gehad met een travestiet, lachen!), The Hangover Part II is dik geflopt in dat éne aspect dat belachelijk is voor een komedie: er valt gewoon veel te weinig te lachen in deze film. Daar kan de degelijke sfeer en goede cast helaas geen verandering in brengen. Ten zeerste te vermijden.

3 juni 2011

The Tree of Life (2011)

Het kent geen conventioneel, rechtlijnig narratief, maar weet wel een pakkend verhaal te vertellen. Het kent bijzonder weinig dialoog, maar tegelijk leer je deze personages beter kennen dan eender welke vocabulaire ravage ooit zou kunnen forceren. The Tree of Life is film op een nieuw niveau, een hoger niveau. Een niveau dat arthouse-cinema aspireert te bereiken, maar daar nooit op deze manier in geslaagd is. Van al de vergelijkingen met 2001: A Space Odyssey die ongetwijfeld een verkeerde indruk van deze film in uw onderbewustzijn gegraveerd hebben is er slechts één die in de mond genomen mag worden: dit is de meest unieke, visionaire, larger than life productie die door een grote studio gesteund werd sinds Kubrick's interpretatie van de mensheid.

Er is veel te doen geweest rond deze film: een dualistisch publiek in Cannes (niet dat dat zo vreemd is, die Fransen lijken het uitjouwen van films even gebruikelijk te vinden als het eten van popcorn), maar haalde vervolgens wel de Palme D'or binnen. Critici waren ook verdeeld, met veroordelingen gaande van meesterwerk tot pretentieuze masturbatie van een té eigenzinnige regisseur. Om mijn oordeel alvast mooi te kaderen voor de komende recensie: de term "meesterwerk" klinkt nog niet sterk genoeg om de liefde die ik voor deze parel voel uit te drukken.

Nooit eerder heb ik zo onwezenlijk in een bioscoop gezeten. Ik werd het scherm ingezogen, waar ik een verbintenis voelde met de film zoals ik nooit eerder meegemaakt heb. Na een korte intro kent The Tree of Life een sequens van een goede twintig minuten waar de evolutie van de aarde getoond wordt door een opeenvolging van natuurbeelden, ondersteund door klassieke muziek. Het waarom weten we nog niet, maar het kan niemand een bal schelen: kippenvel en opzwellende tranen terwijl je met open mond zit te gapen naar deze overweldigende schoonheid. Elk beeld mag eeuwig op mijn netvlies blijven ronddansen en elke muzieknoot mag voor altijd blijven kamperen in mijn gehoorgang. Woorden kunnen niet beschrijven wat voor een pracht deze combinatie van beelden en muziek inhoudt.


En dat is dan ook de grootste troef van de film: het weet een gevoel op te wekken. En eerlijk gezegd heb ik geen idee welk gevoel dat precies is. Was het nu nostalgie naar een tijd die ik niet ken?Admiratie voor de schoonheid die op het scherm getoverd wordt? Empathie voor de personages? Ik kan het niet zeggen, maar het is een gelukzalig gevoel. Een gevoel waar ik nu al bijna met heimwee naar terugdenk. Een gevoel dat zich onherroepelijk heeft verbonden met deze film, een gevoel waardoor je maar al te snel weer naar de bioscoop wil rennen. De film kent een hypnotisch effect op zijn kijker en is op zichzelf in feite visuele poëzie, het dichtst dat een heiden als ik ooit bij een spirituele ervaring zal komen. The Tree of Life speelt zich niet af als gebruikelijke film met A naar B karakterontwikkelingen, dramatische spanning en een afgerond plot; het voelt eerder aan als een symfonie, bestaande uit bewegingen die allemaal betekenis vinden in de karakteristieken en persoonlijkheid van de personages, de natuurlijke fenomenen, de film. Dialogen doen er niet toe, de wondermooie muziek zegt minstens even veel als woorden zouden kunnen, en in combinatie met de suggestieve beeldmontage zegt het ons alles wat we moeten weten. The Tree of Life is een emotionele beleving die verder gaat dan de conventies van het medium "film" zoals we het tegenwoordig kennen, een beleving die geen recht kan gedaan worden met woorden. Onderstaand fragment weet zoveel meer over de film te zeggen dan ik ooit zou kunnen.


Die ongenaakbare schoonheid (overigens een compleet willekeurige minuut uit de film) is wat The Tree of Life het best samenvat. Een groot aandeel van dat aspect is één van de grote onbezongen helden van het voorbije filmdecennium: Emmanuel Lubezki, de vaste cinematograaf van Terrence Malick en Alfonso Cuarón (niet geheel verrassend werkte hij dus ook mee aan mijn favoriete film aller tijden, Children of Men). Wat deze man voor elkaar krijgt valt niet anders te bestempelen dan als simpelweg de mooiste cinematografie die ik ooit gezien heb. Ik weet dat ik onderhand in superlatieven blijf hervallen, ik heb zelfs bewust enkele dagen gewacht met het schrijven van deze recensie om mijn enthousiasme wat te temperen, maar visueel is The Tree of Life compleet, over de volle 100% perfectie. Elk moment in de film is opzichzelfstaand wonderbaarlijk, of het nu de natuurlijke belichting is of de constante cameravoering. Elk shot straalt meesterschap uit, en elk fragment opnieuw weer blijft de klasse van Lubezki je overvallen.

De cast, wederom, perfect. Brad Pitt heeft weeral eens een grote regisseur tevreden gesteld met een briljante rol (behoren inmiddels tot die lijst: Gilliam, Fincher, Iñárritu, de Coens, Tarantino en nu dus Malick) en straalt een enorme autoriteit uit als de vader. Jessica Chastain is niets minder dan fenomenaal als de moeder en het is lang geleden dat we nog eens zulke sterke kindacteurs zagen rondlopen als hier het geval is. Enige "smet" is misschien Sean Penn die weinig meer doet dan tien minuutjes rondwandelen in de film, maar we kunnen hem moeilijk kwalijk nemen dat hij een kleine rol aannam om in dit meesterwerk te mogen meespelen.

De manier waarop je deze film verteert zal uiteindelijk sterk van je karakter afhangen. Malicks boodschap is er een van échte liefde, iets dat we in Hollywood tegenwoordig enkel nog tegenkomen als synoniem voor domme verliefdheid. Malick propageert hier een leven van liefde, vreugde, geluk. Het is verfrissend om zo'n optimistische kijk op de mensheid terug te zien, maar de cynici onder ons zullen dat- en zeker ook door het bijna te zoetsappige einde - afwimpelen als naïef gezwets, en als je niet wil meegaan in Malicks idealistische sfeertje is het misschien moeilijker om te baden in de pure pracht van The Tree of Life. Wel, dat is hun verlies.

Goed, het zal vast geen film voor iedereen zijn en ik kan ook wel begrijpen waarom er tegenstanders zijn die niet zo sterk geraakt werden door The Tree of Life als ik, maar ondanks dat kan ik alleen maar van harte aanbevelen om deze film te gaan kijken. In de bioscoop, en anders op zijn minst op bluray, om het geniale visuele aspect gepast te eren. Het is een unieke film die veel harten zal veroveren en, naar mijn gevoel, een blijvende stempel kan drukken op je leven. Door die impact is The Tree of Life een film die ik met alle mogelijke overtuiging aanraad: er is het risico dat de film compleet langs je heen vliegt en je je zal zitten vervelen, maar dat risico is het meer dan waard.

5/5
Geen image als quotering deze keer. Alles leek te banaal in contrast.

29 mei 2011

Species (1995)

In het teken van intergalactisch broederschap stuurt een aantal wetenschappers een basispakket informatie de ruimte in: de hoeveelheid mensen op aarde, onze DNA baseparen, etc. etc. Als antwoord krijgen ze een manier om quasi oneindig veel energie uit methaan te winnen: deze informatie blijkt te werken, de mensheid is dankbaar. Ook krijgen ze informatie om het menselijk genoom, zonder verdere uitleg, 'aan te passen': hey, het energie-gebeuren werkte, waarom dit niet eens proberen? Dat is in feite het scifi-equivalent van het openen van .exe bestanden uit spammails. Een foetus wordt behandeld, groeit extreem snel, ontsnapt uit het instituut, vermoordt mensen en vervolgens hebben we een nieuwe science fiction franchise volledig in het verlengde van Alien en Predator. Tip aan toekomstige wetenschappers die dit lezen: als buitenaards leven je een vage techniek opstuurt om het menselijke DNA grondig aan te passen, bedank dan vriendelijk.

Species is op zich een B-scifi horrorfilm die werkelijk helemaal niets écht interessants doet dat we niet in eerdere, betere films gezien hebben. Maar toch was dit gek genoeg geen B-film die rechtstreeks op VHS verscheen, maar werd Species in de bioscopen vertoond en wist de film zelfs flink wat winst te maken. Misschien ligt het wel aan de cast die uit opmerkelijk grote namen bestaat, grote namen die (nog veel opmerkelijker) niet lijken te weten welke toon ze precies moeten aanhouden. Oscarwinnaar Ben Kingsley mag de kar trekken als de leider van het experiment: dit was twee jaar na zijn glansprestatie in Schindler's List, waardoor het nog veel frappanter is hoe hard Kingsley hier aan het prutsen is. Hij is aanwezig op de set en spreekt zijn zinnen verstaanbaar uit, maar meer inzet heeft Kingsley echt niet in deze film gestoken. Daar tegenover staat Forest Whitaker - nog geen gigantische naam in die tijd, maar toch een talentvol acteur - die dan weer veel teveel zijn best doet met zijn personage. Hij speelt een soort mentalist die bij momenten relevante informatie zomaar weet (een plot device om u tegen te zeggen) en van de ene extreme emotie in de andere sukkelt. Whitaker zag die opvolging van emoties duidelijk als een mogelijkheid om zijn acteertalent te etaleren... in een cheesy horrorfilm over een gecamoufleerde alien die mensen meestal offscreen vermoordt. Verder speelt Michael Madsen zo'n beetje dezelfde rol als in 80% van zijn films, laat Marg Helgenberger (van CSI) weinig indruk achter en is Alfred Molina de enige die echt wel plezier lijkt te hebben gehad tijdens het maken van de film.


Maar deze heel groep mensen is compleet vergeetbaar en weinig memorabel. Waar het eerder genoemde Alien en Predator vol interessante en amusante personages zat is Alfred Molina hier de enige die niet ronduit vervelend is wanneer hij schermtijd krijgt. De echte ster is de alien zelf: Natasha Henstridge debuteert hier als Sil, een blonde alien met zulke lange benen dat Cylon #6 van Battlestar Galactica er flink jaloers op zou worden. Henstridge is niet ruim bedeeld op vlak van acteertalent, maar wie kan dat eigenlijk wat schelen? Veel belangrijker is dat Henstridge een schoonheid is van een niveau dat we maar zelden op het witte scherm tegenkomen, het soort alien waarvan je hoopt dat - als je dan toch moet sterven - ze op z'n minst een facehugger is. Henstridge is hoogstwaarschijnlijk een topmodel dat per dom toeval op een filmset gesukkeld is, en is daardoor ongetwijfeld de enige reden waarom deze film werkt en enige populariteit verkreeg. Regisseur Roger Donaldson schaamt zich daar dan ook niet voor, en Henstridge krijgt een minimum aan woorden om zich druk over te maken terwijl ze minstens de helft van haar schermtijd in lingerie, dan niet topless rondloopt. En oké, dat is misschien oppervlakkig, goedkoop, seksistisch, objectiverend naar vrouwen toe en soms ronduit smaakloos... maar in het kader van deze film: driewerf hoera!!!!

Het interessantste aan Species is ongetwijfeld het scenario van de hand van Dennis Feldman: een schrijver waaroverover niet al te veel te vinden valt op het internet, maar overduidelijk een man voor wie Sigmond Freud zijn mouwen wel eens zou durven opstropen.


Alien Sil mag dan wel een ongeziene moordgriet zijn, maar verder heeft ze niet zo heel veel vaardigheden of kennis. Alles wat ze doet leert ze doorheen de film, door het op TV te zien of iemand anders na te doen (vergelijkbaar met die andere blonde, vrouwelijke alien: Sally van 3rd Rock from the Sun). Haar doel in de film is om een partner te zoeken: de alien wil zich voortplanten en heeft daar mannelijk zaad voor nodig. Ze verleidt enkele mannen om hen daarna af te wijzen en/of te vermoorden, totdat ze uiteindelijk succes heeft. Alfred Molina beleeft enkele van de meest genietbare minuten in zijn leven, waarna Sil een transformatie ondergaat. Waar ze voorheen nog het schoolvoorbeeld van een femme fatale was, verandert ze nadat ze Molina "veroverd heeft" in een afschuwelijk monster. Fysiek afstotend en een veel groter gevaar voor de mensen die haar zoeken dan eerst. Ook baart ze in die toestand een kind dat er ook bijna in slaagt één van de hoofdpersonages te vermoorden. Ik weet niet of meneer Feldman een ongelukkig huwelijk (en enkele ondankbare kinderen) achter de rug heeft of niet, maar als we teveel achter dit scenario zouden zoeken zouden we misschien durven concluderen dat Dennis Feldman geen grote waardering kent voor het vrouwelijke geslacht. Maar zo'n conclusie zouden we niet durven trekken over de schrijver die ook "Real Men" en "Just One of the Guys" aan de wereld schonk.

Uiteindelijk is Species een genreoefening die niets nieuws brengt en op zich slechts een veredelde tettenfilm is. De cast overtuigt niet, het verhaal is herkauwd, spanning bijna onbestaand, ... De speciale effecten variëren tussen degelijke praktische effecten en typische 90's CGI-rotzooi die gerenderd lijkt te worden op een Nintendo 64: het is van Kingdom of the Crystal Skull geleden dat het nog zo pijnlijk was om een fysieke manifestatie van aliens te zien. Het heeft bij momenten wel enige charme en Natasha Henstridge is een lust voor het oog (gezien haar verdere carrière zal ze altijd herinnerd worden als het sekssymbool uit deze film), en de enige verdienste van Species is dat het er wel in slaagt om niet al te saai te worden. Een ideale film om met één oog te volgen terwijl je ergens anders mee bezig bent, verder volkomen vergeetbaar.


12 mei 2011

Phantasm II (1988)

Laten we even terugdenken aan de originele Phantasm. Volledig in de traditie van verwante horrorfilms wordt de schurk - de geweldige Tall Man - vermoord: hoofdpersonage Mike en zijn broer Jody hebben hem voorgoed weggewerkt, terwijl het coolste personage van de franchise, ijscoman Reggie, is omgekomen. In de volgende scène zien we Mike en Reggie echter in de woonkamer zitten: Mike woont blijkbaar bij Reggie, die hem vertelt dat het hele verhaal slechts een droom was en zijn broer Jody bij een accident is gestorven. Daardoor wordt de volledige eerste film dus eigenlijk pure fictie binnen de film, wat impliceert dat we een soort van happy-end bereikt hebben en de film afgerond is. Maar dan loopt Mike naar boven, ziet hij de Tall Man en wordt hij een spiegel ingetrokken door jawas. Het is inmiddels een klassieke twist geworden voor horrorfilms (de Nightmare on Elm Street heeft er een patent op), maar ik kan me voorstellen dat dat in 1979 een mooie verrassing was. Het maakt de film er niet bepaald duidelijker op: is de Tall Man nu toch echt?

Don Coscarelli heeft ongeveer tien jaar gewacht om een vervolg aan zijn verhaal te breien. Hij kreeg 3 miljoen van Universal (ironisch genoeg het hoogste budget voor eender welk deel in de Phantasm-serie, maar het laagste budget dat Universal dat jaar aan een film zou spenderen) en besliste om een direct vervolg te maken. Nadat de jawas Mike gegrepen hebben slaat Reggie er een paar neer met een honkbalknuppel en draait hij de gas open: Reggies redt Mike uit zijn ontploffend huis. We springen naar zes jaar later, wanneer Mike uit een instelling wordt vrijgelaten, waar Reggie hem uitlegt dat die ontploffing bij hem thuis nooit gebeurd is. Het rechtstreekse vervolg op het fakeout einde - tien jaar na het origineel! - is dus een fakeout begin van de film. Mike komt erachter dat de Tall Man graven leegrooft en wil de jacht op hem openen, maar Reggie wil niet mee. Daar komt verandering in wanneer zijn huis ontploft en familie omkomt. Waarom ontplofte zijn huis? Waarom gebeurt hetzelfde twee keer binnen een kwartier tijd? Is dit realiteit of ook weer een fakeout? Dat is de mindfuck van Phantasm.

Phantasm II doet vooral sterk denken aan Evil Dead II. Net als die franchise was het origineel gewoon een stevige, conventionele horrorfilm vol schrikeffecten en een beetje surrealisme. In het tweede deel staat de horror goed in balans met actie en humor, wat voor een gevarieerde en onderhoudende film zorgt. Het is vooral in het laatste half uur dat de Evil Dead II-vibe sterk is. Mike en Reggie stelen/maken wapens om de Tall Man zijn mausoleum mee aan te vallen: een vlammenwerper, een vierloops shotgun, en natuurlijk hét voorwerp dat niet kan ontbreken in dit soort film, een kettingzaag. Zie bijvoorbeeld onderstaand fragment (en tevens de beste scène in de film): dit doet niet meer denken aan de dreigende sfeer die Don Coscarelli tien jaar eerder had geïntroduceerd.


Phantasm II is dus meer Dream Warriors dan Freddy's Revenge, waar we blij om mogen zijn. Het is niet even sterk of duister als het origineel, maar er zit veel meer fun in de serie. Zo zien we bijvoorbeeld ook hoe het lichaam reageert wanneer je je aders vol zoutzuur vult (tip: het is een beetje als naar de Ark van het Verbond kijken) en zijn de vliegende ballen weer terug en dreigender dan ooit. Deze film is wederom door Don Coscarelli geschreven en dat zie je eraan: hij kent zijn universum en bouwt verder op zijn eerste film zoals maar weinig horrorseries kunnen. Er worden vragen opgelost, maar er komen ook weer een heleboel vragen bij en zelfs het einde is weer even van de pot gerukt als in het origineel.

Er is slechts één fout die Phantasm II maakt, en die zorgt ervoor dat vooral de tweede akte niet altijd even interessant is. Er wordt een soort psychisch liefdesverhaal doorheen de film gedraaid tussen Mike en een nieuw personage waar de Tall Man op jaagt. Het is nogal afleidend, onnodig en nodeloos verwarrend: we zien haar op een bepaald punt met een sandworm die uit haar rug groeit waarna de vlammenwerper op haar geledigd wordt. Maar aangezien het Phantasm is weerhoudt dat haar er niet van om een paar scènes later weer terug te keren zonder dat er nog naar gerefereerd wordt.

Ook jammer om te zien is dat Michael Baldwin niet terugkeert: Coscarelli moest één van zijn hoofdpersonages vervangen door een grote naam, waardoor we James LeGros in zijn rol krijgen (groot is relatief). Hij speelt het eigenlijk niet slecht en is wel ok, maar brengt niet dezelfde charme die Baldwin in de eerste film wist te brengen. En om de hele continuïteit op te fucken keert Baldwin wel weer terug als Mike in Phantasm III. Maar goed: àls je dan toch moet kiezen van je studio, dan heeft Coscarelli wel de juiste keuze gemaakt, want maar weinig mensen zouden Reggie Bannister kunnen vervangen in zijn rol. In de eerste nog een simpele ijscoman, hier een rasechte, retecoole actieheld.

Phantasm II is bij momenten een beetje geforceerd en de introductie van Mikes vriendin en hun mentale band is nergens voor nodig, maar verder is dit een zeer genietbare sequel. Hij vraagt een andere ingesteldheid dan zijn voorloper, maar het is duidelijk een film met een eigen identiteit, en niet zomaar horrorsequel II.

29 april 2011

No Holds Barred (1989)

Als kind was ik, net als zoveel jongens rond de tien jaar, enorm gefascineerd door worstelen. Ik bleef op tot middernacht (in die tijd al een opgave) om de nieuwe WCW-aflevering te kijken, dewelke op videocassette werd opgenomen en de komende week herhaaldelijk werd afgespeeld. Ik speelde worstel-videogames, kladde worstelaars in mijn schoolboeken en speelde de sport na in de tuin en slaapkamer. Het is een heel vreemd fenomeen dat naar mijn gevoel niemand echt snapt. Wat is de aantrekkingskracht van overdreven gespierde mannen in idiote, weinig bedekkende kledij die doen alsof ze elkaar aftuigen? De idiote personages? De plotlijnen waar The Bold and the Beautiful jaloers op zijn? Het lijkt allemaal zo vreemd, en dat is het op zich ook wel, maar hoewel de markt hier grotendeels tot kleine jongentjes beperkt wordt is het in de USA een gigantische industrie, waar wij als volwassen Europeanen alleen maar eens raar van kunnen opkijken. En wie tegenwoordig al eens een wedstrijd op Eurosport ziet voorbijkomen weet dat het allemaal nog veel en veel idioter is dan vroeger, maar toch blijft het belachelijk lucratief bij onze overzeese buren. De persoon die als katalysator diende voor deze zeer vreemde show is Hulk Hogan, wiens populariteit in de jaren 80 zo onvoorstelbaar groot was dat hij waarschijnlijk makkelijk president had kunnen worden, als hij daar even zin in had gehad. En waarom die hele natie verliefd was op de halfkale superman met de blonde snor en beperkte woordenschat? Een eeuwig mysterie.

Zijn eerste filmrol kreeg hij in Rocky III waar hij Stallone een aantal minuten in elkaar mocht meppen. Dat deed hij zo goed dat de marketingcampagne (ook wel "Hulkamania" genoemd) werk maakte van een film met Hogan in de hoofdrol. Aangezien het zijn allereerste hoofdrol was wordt Hogan hier nog wat binnen zijn comfort zone geplaatst en speelt hij een populaire worstelaar. Pas nadat dit hem goed afging zou hij vreemdere rollen toegespeeld krijgen, zoals een babysitter, iemand die denkt dat hij de Kerstman is en een intergalactische soldaat.

Yup, iemand vond dit een goed idee

Hogan speelt Rip, en ik ben vrij zeker dat die naam gekozen werd omdat Hogan zijn shirts altijd kapot scheurt. No Holds Barred was het begin van Hogan's carrière als familieman op het grote scherm. Zijn eigen abominabele 'Hogan Knows Best' familie buiten beschouwing gelaten: de Hulkster probeert hier duidelijk een graantje mee te pikken van Arnold Schwarzenegger's succes. Arnold werd, vooral door zijn samenwerkingen met Ivan Reitman (Kindergarten Cop, Twins en - slik - Junior), eerder een familiekomiek dan een actieheld. Arnold was in die tijd de absolute goedzak waar alle kinderen van hielden, en op diezelfde manier wordt Hogan hier neergezet als een ééndimensioneel, puur goed personage dat nooit ook maar iets fout doet. Een man van het volk, die niet wil dat zijn naam teveel gemarket wordt, maar zich vooral op liefdadigheid wil richten.

Hier afgebeeld: Hogans liefdadigheidsinstelling voor de arme kindjes in Afrika

Rip is zo populair dat andere televisiemaatschappijen jaloers worden op de kijkcijfers die hij verzamelt. De grote pief van één zo'n maatschappij is Kurt Fuller, en wel... wat kan ik over hem zeggen? In een film die bol staat van overdreven geschreven personages en hammy acteerwerk steelt hij met alle gemak de show. En dat bedoel ik als een groot compliment. Fuller is een tiran die door de kantoren marcheert, zijn werknemers constant mishandelt en altijd, maar dan ook echt altijd boos is.


Fuller speelt de hele film op het niveau van de gemiddelde soap opera en is daardoor één van de meest entertainende schurken die ik in lange tijd gezien heb.

Hulk Hogan is gewend van te acteren in een worstelring. Wanneer er weer eens een vreemde plotlijn geïntroduceerd wordt binnen de WWF-wereld moet zijn verbazing vanaf de achterste rijen merkbaar zijn. Logischerwijs is de Hulkamaniac dan ook geen meester van subtiliteit. Tijdens de opvulling tussen het vechten door kunnen we dat nog enigszins begrijpen: wanneer de film een liefdesverhaal probeert op te zetten is het logisch dat dat niet lukt met zo'n grote hoop manvlees aan de ene kant. Er zijn meerdere pogingen om ons dat te doen vergeten: wanneer Hogan en zijn vriendin-in-spé naar een Frans restaurant gaan wordt hij behandeld als een boer. "I suggest the quiche with escargots... that's 'cheesepie with snails' to you", zegt de ober. Want ja, Hogan ziet er nu niet bepaald geraffineerd uit. Maar wanneer de chefkok dan tot aan zijn tafel komt en vraagt of hij het gebruikelijke wil antwoordt Hogan "Oui, bien sure, j'ai faime". Want Hogan apprecieert de fijnere dingen, ondanks dat hij "maar een gewone man is". Een ander restaurant wordt dan weer overvallen terwijl hij toevallig aan het lunchen is. Hulk verslaat de gewapende overvallers door eten naar hen te gooien, want Hogan houdt eigenlijk helemaal niet van geweld, zelfs niet als hij er levens mee kan redden.

Dat zijn mooie pogingen om de grenzen met de realiteit te doen vervagen, maar het lukt allemaal totaal niet: we blijven altijd die rare worstelaar met zijn rare shirts zien. En dat is ook logisch; dat is zelfs waarom we überhaupt een film met Hulk Hogan zouden kijken. Belangrijker is dat je Hogan natuurlijk kan doen overkomen in actiescènes, en wel...


Oké oké: Hulk Hogan is in elke situatie een afschuwelijk acteur. De enige reden dat hij een filmcarrière van de grond kreeg was door zijn enorm succes als worstelaar, en de acteertrucjes die hij daar heeft opgepikt probeert hij ook in deze film door te voeren. Er is altijd wel iets vreemd aan Hogan: een vreemde blik, een ongepaste reactie of zijn ogen die recht uit zijn blonde schedel geperst lijken te worden. Maar eerlijk gezegd heb ik daar totaal geen probleem mee. Bij dit soort slappe familiefilm is overacten nu eenmaal veel entertainender dan iets dat je serieus kan nemen, en entertainment is het enige vlak waar dit soort film zijn sterren moet verdienen. En in dat opzicht zijn zowel Fuller (ik kan niet genoeg benadrukken hoe geniaal hij is) als Hogan sterk in hun rol, maar vuurwerk komt er pas echt wanneer de twee tegen elkaar mogen spelen.


Het is voor dit soort scènes dat je de film wil kijken, en op dat vlak is de film absoluut geen teleurstelling. Het is een standaard TV-film die ingevuld wordt door amusante acteurs die flink staan te overdrijven. Om dat punt nog even helemaal te onderstrepen is er nog de andere schurk. Aangezien Kurt Fuller de hyperpopulaire Rip niet naar zijn televisiestation kan lokken creëert hij zijn eigen worstelfederatie: The Battle of the Tough Guys. Het is zo'n lachwekkende naam waar je toch maar geen grap over wil maken omdat het dan lijkt alsof je met een gehandicapt persoon aan het lachen bent. Fuller houdt try-outs en dergelijke, tot hij zijn kampioen vindt: Zeus.


What's wrong with your faaaaaaaaaaaaaace?

Dit is Tom Lister, wie je misschien wel kent van zijn beperkte rol in The Dark Knight of als president van het melkwegstelsel in The Fifth Element. Zijn rol hier wordt beperkt tot het trekken van gekke gezichten en constant in het rond schreeuwen. Neen serieus, ik denk niet dat er vijf opeenvolgende seconden in deze film zitten waar Lister niet op een complete psychopaat lijkt. Dit is bijvoorbeeld hoe ze zijn personage introduceren.


Het mooie aan No Holds Barred is dat deze drie zwaargewichten stuk voor stuk genoeg speeltijd krijgen. Je hebt niet het idee dat je te weinig van Fuller of Zeus te zien hebt gekregen, wat in dit soort films al eens vaak het geval is. Daardoor is de film behoorlijk amusant voor wat het is: behoorlijk overdreven allemaal, maar het weet anderhalf uur te boeien zonder dat het ooit echt saai wordt. Ik heb enkele keren zeer hard moeten lachen en ik heb Hulk Hogan Frans horen praten: er zijn veel slechtere manieren om anderhalf uur te doden.

24 april 2011

Source Code (2011)

Duncan Jones maakte op een budget van 5 miljoen zijn magistraal debuut Moon. Gejuich in de straten en een mijlpaal in de moderne science-fiction geschiedenis (die helaas niet al te rijk is). Twee jaar later krijgt meneer Jones 30 miljoen tot zijn beschikking, en weer creëert hij een sci-fi pareltje dat veel mensen zal verrassen, al kon er nog wat aan bijgeschaafd worden. We zitten dus nog niet op het punt waar ik Duncan's kindjes wil, maar hij is alleszins wel al goed bezig.

Inception. Hah, ik was eerst. Er zal de komende jaren geen omkomen aan zijn: slimme science fiction zal altijd vergeleken worden met Nolans film. In het geval van Source Code niet helemaal onterecht: ook hier wordt een verhaal van misdaad verteld in een nogal vreemde structuur. Waar Inception steeds maar weer een stapje naar beneden deed zet Source Code steeds weer een stapje terug. In feite valt de film makkelijk samen te vatten als een combinatie van Twelve Monkeys en Groundhog Day. Een trein wordt opgeblazen en door wat magisch wetenschappelijk gebrabbel kan agent Jake Gyllenhaal de laatste acht minuten van een persoon op de trein herleven. Vervolgens beleeft hij die acht minuten steeds weer opnieuw om achter het wie, wat en hoe van de ontploffing te komen.

Dat klinkt behoorlijk briljant, en dat is het ook; Source Code schiet op het vlak van interessant narratief even raak als Inception dat deed. Het is een verfrissende vertelstijl die veel mogelijkheden biedt, en die worden ook nog eens goed benut ook. Een pluim in de hoed van zowel Duncan Jones als schrijver Ben Ripley, die we verder kennen van - verschiet u niet - Species III en Species: The Awakening. Niet te hard beginnen lachen: ik garandeer u dat het scenario van Source Code zeer goed ineen steekt en dat we niets van zijn Species-verleden vinden binnen deze film. De whodunnit die op 8 minuten informatie gebaseerd wordt is zeer interessant om volgen en voelt door zijn compactheid een beetje aan als een lange aflevering van The Twilight Zone.

De film is met net iets meer dan negentig minuten eigenlijk een beetje té compact. In die minimale tijdsduur wordt het hoofdpersonage namelijk ook nog uitgediept en wordt de technologie van de Source Code uitgelegd. Op zich past het allemaal, maar soms lijkt het net een beetje té beperkt. Wanneer er bijvoorbeeld een sequens plaatsvindt waar Gyllenhaal meerdere tripjes naar de bewuste acht minuten neemt zonder dat we daar één frame van zien, krijg je te duidelijk het gevoel dat het de overgang tussen twee aktes is. Het is een oplossing om de spanning op te bouwen en de deadline te voelen naderen, maar wel op een manier die maar weinig voldoening schenkt. De film had op dat vlak misschien wel een tiental minuutjes meer mogen gebruiken, al blijft het tempo op deze manier natuurlijk wel zeer hoog.

Die tien minuten die de film mist zit er dan ook nog eens teveel in aan het einde, wat de meest frustrerende epiloog moet zijn sinds Kingdom of the Crystal Skull ofzo. Wanneer de film een perfect genietbaar slot bereikt heeft en je gelukzalig in je stoel achteruitleunt komt de film met nog een scène. En nog een. En nog een. Het is als bij Return of the King, waar de film niet door lijkt te hebben dat het met elke extra scène weer idioter wordt en het publiek al lang klaar was om naar huis te gaan. Enkele subtiliteiten worden nog eens een keer duidelijk uitgelegd en de hele film wordt in een ander licht geplaatst, enkel en alleen om met een happy ending te kunnen afsluiten. Nu is het wel een verdienste dat dit niet heel idioot overkomt: de manier waarop het verhaal aangepast wordt past wel degelijk en het voelt niet aan als een artificiële Shyamalan-twist die pas aan het einde wordt ingebouwd. Maar het is gewoon compleet en volledig nergens voor nodig: de hele structuur van de film wordt aangepast, enkel en alleen om een "en ze leefden nog lang en gelukkig" moment te kunnen toevoegen. Enerverend, op z'n minst.

Het jammerlijk is vooral dat juist bij Source Code gebeurt. Wanneer een middelmatige film als The Book of Eli verprutst wordt door het einde is dat jammer, maar niet meteen rampzalig. Source Code is tot aan zijn laatste akte een fenomenaal stukje fictie waar ik maar heel weinig negatiefs over kan zeggen. En het is nu niet dat het einde zo afschuwelijk slecht is hoor. Het is geen Star Wars III. Het is geen War of the Worlds. Het is geen Planet of the Apes remake. Het zorgt gewoon voor een zure nasmaak die nu eens helemaal nergens voor nodig was.

En die zure ondertoon zal vast ook wel doorheen de recensie overheersen, maar laat me heel duidelijk zijn: Source Code is meer dan de moeite waard en een magistrale film. Duncan Jones brengt het hele verhaal nagenoeg perfect in beeld - nochtans niet simpel met zo'n opzet - en gooit er nog de nodige flair in (dat freezeframe!). Je zou verwachten dat diezelfde acht minuten op den duur zouden vervelen, maar dat valt enorm goed mee; knap van Duncan Jones. Jake Gyllenhaal is fenomenaal in de hoofdrol (Prince of Persia is alweer vergeten) en is voor een groot deel verantwoordelijk voor de beleving (die triestheid in zijn ogen vlak voor hij weer eens sterft), Vera Farmiga en Michelle Monaghan zijn allebei simpelweg perfect gecast en grote actrices, al hoeft Monaghan nooit echt buiten haar comfort zone te gaan.

Weet je, misschien dat het einde wel meevalt wanneer je de hele film met de juiste ingesteldheid kijkt en over voldoende voorkennis beschikt. Ik hoop het, zodat ik er de tweede keer nog meer van kan genieten, want op die laatste tien minuten na kan Source Code zich echt wel meten met Duncan Jones' eerste. Liefhebbers van Moon kunnen deze film zonder aarzeling gaan kijken en zullen grotendeels niet teleurgesteld worden door deze slimme, meeslepende science-fiction thriller. Misschien komt er wel een ultimate cut waar de laatste tien minuten van de film ontbreken, is er toevallig al iemand een petitie gestart?

13 april 2011

The Secret of NIMH (1982)

Disney heeft altijd min of meer het alleenrecht op animatiefilms gehad. Hoewel er tegenwoordig veel concurrerende bedrijven zijn, van Dreamworks tot Ghibli, had ome Walt's succesbedrijf vroeger maar weinig concurrentie. Tegenwoordig is er ruime keuze tussen de vele niet-Disney films als The Iron Giant en The Prince of Egypt, maar vroeger - min of meer sinds Sneeuwwitje in 1937 tot de jaren 80 - was Disney het enige bedrijf dat frequent kwaliteitsvolle animatiefilms uitbracht. Bijgevolg werd Disney lui. Zeer lui.

Vergis u niet, net als iedereen die niet opgegroeid is tot een door misantropie verteerde psychopaat heb ik destijds Disneys animatiefilms verslonden dat het niet meer mooi was. Maar het meeste van de écht goede Disneyfilms kan ruwweg binnen de jaren 40 en 90 geplaatst worden, alles daartussen werd opgevuld met films die niet kunnen tippen aan parels als Aladdin en Dumbo. Er zijn enkele uitzonderingen, maar het grootste deel bestond uit films als Lady en de Vagebond, Frank en Frey, Robin Hood, ... we hebben er vroeger uren aan versleten en ons er goed mee geamuseerd, maar uiteindelijk weten deze films niet de magie van de grote meesterwerken te brengen. Don Bluth deelde die mening, en zorgde er uiteindelijk misschien wel onrechtstreeks voor dat Disney het roer uiteindelijk terug heeft omgegooid.

Don Bluth was animator bij projecten als De Reddertjes en De Aristokatten, en middenin de productie van Frank en Frey verliet hij elk kinds favoriete bedrijf. Hij was van mening dat Disney de geest van de klassieke animatiefilm was kwijtgespeeld, en samen met een handvol andere Disney-animators vormde hij een productiestudio die uiteindelijk zou leiden tot Sullivan Bluth Studios. Na een paar kleine projecten slaagde Don Bluth met zijn eerste langspeelfilm volledig in zijn opzet. The Secret of NIMH kan zich namelijk meten met enkele grote Disney-klassiekers, die in die periode simpelweg nergens te bespeuren waren. Dit was een project van pure passie en liefde voor traditionele animatie: er circuleren allerhande verhalen omtrent het productieproces, van animators die 110 uren per week kloppen tot de producers die hun woningen hypothekeerden om het budget toch maar bijeen te sprokkelen. En die totale devotie en liefde voor het medium spat van het scherm.


The Secret of NIMH (een adaptatie van het boek Mrs. Frisby and the Rats of NIMH) gaat over... weet je, het is moeilijk samen te vatten waar het precies over gaat. Het begint met Mrs. Brisby (ja, Brisby; het bedrijf dat frisbee's produceerde deed nogal moeilijk bij de verfilming van het boek) en haar zoon die longontsteking heeft, maar al snel moet ze haar huis beschermen van een boer en zijn tractor, komt ze terecht bij een samenleving van intelligente ratten, etc. etc. Het is een ode aan de film dat dit verhaal niet echt samengevat kan worden in één alinea. Meerdere plotlijnen worden doorheen de film geïntroduceerd en vormen uiteindelijk wel één coherent plot, maar het is geen simpel verhaal dat van punt A naar punt B verteld wordt. Het is - voor een kinderfilm dan toch - behoorlijk complex en propt de 80 minuten dan ook flink vol.

Dat stimulerende narratief past geheel binnen Don Bluths visie aangaande kinderen. De doelgroep voor animatiefilms wordt te vaak betuttelt en Bluths visie is in feite simpel: zolang je er een happy end aan vastknoopt kan je kinderen zowat alles voorschotelen. Die volwassen houding is terug te vinden in de film: bij een zwaardgevecht zien we effectief streepjes bloed, personages beginnen niet elke vijf voet een geforceerd lied te zingen en een redelijk groot personage sterft zelfs middenin de film, zonder uiteindelijk terug te keren. Dit zien we ook terug in enkele intense scènes, waarvan ik me goed kan inbeelden dat ik ze als kleuter doodeng zou vinden. Maar uiteindelijk heeft de hele film veel meer gewicht door die aanpak; het is een gok om kinderen als volwassenen te behandelen, maar in veel gevallen is het voor beide partijen voordelig.

De personages zijn kleurrijk en betrekkelijk origineel, vergeleken met hun Disney-tegenhangers. Mrs. Brisby is een heerlijke protgaonist: geen jong ventje dat nog oh zoveel te leren heeft, maar een weduwe met vier kinderen onder haar hoede. Dat is behoorlijk onconventioneel, maar het is een keuze die respect afdwingt. In plaats van de typische evolutie van het hoofdpersonage te doorlopen straalt Brisby al meteen een zekere wijsheid uit. En daarbij voelen de emoties van de doorleefde Brisby veel natuurlijker aan, juist omdat haar motivatie altijd logisch is: ze denkt aan haar kinderen. Verder zien we een hoop nevenpersonages zoals de klunzige Jeremy (de altijd geweldige Dom DeLuise), de Grote Uil (de enorm krachtige stem van John Carradine), de oude rat Nicodemus, de schijnheilige schurk Jenner, etc. etc.

En dan is er nog de grootste verdienste van The Secret of NIMH: de prachtige animatie. Disney was flink bezig met het animatieproces te stroomlijnen (klassieke technieken kostten teveel tijd en geld), maar NIMH werd echter compleet op ouderwetse animatie gebouwd. Het gevolg is één van de mooist vormgegeven animatiefilms ooit. De animatie is soepel en vloeiend er er wordt gespeeld met enkele interessante vondsten; de gloeiende ogen van de Grote Uil en Nicodemus, de manier waarop de achtergrond in spannende scènes bloedrood wordt en hoe het gehele kleurenpalet tot leven lijkt te komen. De film ziet er op elk moment simpelweg prachtig uit. Misschien nog wel het belangrijkste is hoe de animatie gebruikt wordt zoals het eigenlijk hoort: om een visuele ervaring te creëren die bij niet-geanimeerde cinema onmogelijk is. Een doornstruik hoeft geen saaie doornstruik te zijn, maar kan een intimiderend doolhof vol gevaren worden, waar elke schaduw gevaarlijk kan blijken. The Secret of NIMH is een meesterwerk van traditionele animatie, en in combinatie met de prachtige soundtrack is het een toonbeeld van stijl.


Ik zou zeggen dat er helemaal niets scheelt met The Secret of NIMH, maar het einde is een lichte domper. Er komt wat magie bij kijken zonder dat het echt uitgelegd wordt, terwijl dat absoluut nergens voor nodig is (en naar wat ik hoor in het boek ook niet het geval was). Het is een beetje als Beest die in een prins verandert of Pinokkio die een echte jongen wordt, alleen lijkt het een beetje minder goed te passen binnen de wereld van NIMH. Er hangt wel een mooie, opbeurende levensles aan vast, maar tja... het had niet gemoeten. Maar dat is dan ook het enige kritiekpunt in een verder bewonderenswaardige animatiefilm. Eigenlijk is The Secret of NIMH van een niveau dat Disney op dat moment nog niet bereikt had: een interessant verhaal dat tot leven wordt gebracht door een waanzinnig knappe animatie, van een schoonheid die sindsdien nog zelden behaald werd. Don Bluth slaagde in zijn opzet om de magie terug binnen de animatiefilm te brengen; The Secret of NIMH is een kunstwerkje.