13 augustus 2011

Rise of the Planet of the Apes (2011)

Aaaaaah, niets dat zo goed voelt als een flinke meevaller. Het originele Planet of the Apes van 1968 is nog steeds één van mijn favoriete science fiction films, en ook de vier sequels zou ik iedereen durven aanraden, want het is nu eenmaal één van de weinige filmfranchises die het aandurft om één groot verhaal te vertellen over vijf films tijd. Het moet dan ook niet gezegd worden dat ik niet tevreden was toen Tim Burton die hele saga tien jaar geleden zo respectloos over de schoot nam dat zelfs een Noorse socialist er geschokt van zou opkijken. Dat er nu dan plots een prequel op dat gedrocht (nog steeds één van de grote debacles van vorig decennium) geproduceerd wordt deed het slechtste vermoeden, en dat de trailer dan ook nog eens deed denken aan een zombiefilm met CGI-apen, tja... Zelden heb ik zulke lage verwachtingen gehad voor een film, ik zou er niet van opgekeken hebben moest Rise of the Planet of the Apes (wat een titel ook, vanaf nu noem ik em RotPotA) letterlijk één van de slechtste films aller tijden geworden zijn. Maar kijk, dat valt dan weer reuze mee. Dat de film geen onkijkbaar zooitje geworden is: een flinke verdienste. Dat het geheel eigenlijk serieus te nemen valt en niet compleet belachelijk is: het teken van een zeer goed productieteam. Dat de film uiteindelijk zelfs redelijk goed is: niets minder dan een mirakel en ongetwijfeld een zekere hoeveelheid Goddelijke interventie.

Als we terugkijken naar de originele franchise is RotPotA eigenlijk een remake (of die fancy term die tegenwoordig in het rond wordt gegooid: re-imagining) van zowel Rise als Conquest of the Planet of the Apes. Het vertelt het verhaal hoe mensen hun positie als het dominante ras verspeeld hebben en de basis van de eigenlijke Planet of the Apes tot stand is gekomen. Het slaagt daar vooral het eerste uur heel goed in.

De eerste twee aktes lijken in de verste verten niet op het actiespektakel dat de trailer deed vermoeden. RotPotA is nog eens een blockbuster die zijn verhaal en karakters degelijk introduceert en een emotionele investering in het verhaal belangrijker vindt dan er een actievolle achtbaanrit van te maken. James Franco wordt geïntroduceerd als de archetypische geniale wetenschapper die ook een beetje een sufkop is. Zijn vader - John Lithgow stelt nooit teleur - leidt aan Alzheimer (hoe slordiger zijn haar hoe serieuzer de ziekte). Terwijl Franco onderzoek doet om de ziekte tegen te gaan vindt hij per ongeluk een virus dat apen hyperintelligent maakt, maar giftig is voor mensen. En tja, je mag twee keer gokken wat er dan gebeurt in een film die 'Rise of the Planet of the Apes' heet. Je weet op voorhand goed en wel wat de uitkomst van het verhaal zal zijn, maar het is een verdienste dat de film desondanks behoorlijk interessant blijft, ookal komt er nooit enige vorm van spanning bij kijken.

RotPotA is voor een groot deel eigenlijk eerder een ontsnappingsfilm dan een revolutiefilm. Nadat je hoofdaap Ceasar grondig leert kennen wordt hij opgesloten in een soort apengevangenis, en de volledige tweede akte bestaat uit het ontsnappen van Ceasar en zijn lotgenoten. Rupert Wyatt weet dit zeer treffend in beeld te brengen: hij neemt zijn tijd om alles duidelijk en aan een aangenaam tempo in beeld te brengen. Je krijgt geen gevoel alsof je snel even door de basis wordt geloodst, het voelt niet te zwaar aan en gaat niet vervelen. Het is een heel mooi stukje popcorncinema, dat in de derde akte weliswaar een beetje uiteenvalt.

Het grote probleem is dat ofwel schrijversduo Rick Jaffa en Amanda Silver zich naar het einde toe veel te veel vrijheid heeft aangemeten in verband met het niet uitleggen van essentiële stappen, of de film in een blender is beland tijdens het monteren. De inconsistenties zijn plots nauwelijks bij te houden. Ceasar steelt blijkbaar een zak koekjes nog voor hij toegang krijgt tot de zaal waar deze in opgeborgen werden. De twintig apen die we doorheen het tweede bedrijf zien vertienvoudigen plots tijdens de ontsnapping. Apen die uit de zoo bevrijd worden lijken even slim als degene die het virus in zich dragen. Een aap uit het circus kan even goed gebarentaal als genie-Ceasar. Nagenoeg iedereen die de trailer gezien heeft moet zich afgevraagd hebben waarom de mensen de apen niet gewoon neerschieten: ook daar brengt de film geen echt antwoord op. De eindscène is zelfs zo plat dat je eigenlijk verwacht dat de film te vroeg gedaan is: het eindgevecht is nog niet gedaan, vijf minuten na het eindshot zou de strijd in principe weer opnieuw moeten losbarsten. Enfin, het is nogal een rommeltje.

Het vreemdste aan dit alles is nog wel dat tien seconden na het begin van de credits een extra scène komt. Dit is ondertussen meer wet dan uitzondering: Samuel L. Jackson die iets over The Avengers komt zeggen, een nietszeggende epiloog, ... Het is meestal een beetje simpele fanservice die niets aan het verhaal toevoegt. Hier is dit echter, vreemd genoeg, de sleutelscène van de hele film. Ik wil zelfs zo ver gaan als zeggen dat deze scène drie kwart van de film volkomen nutteloos maakt. Als we het effectief over de 'Rise of the Planet of the Apes' hebben, wordt dit verhaal in drie scènes uitgelegd die alles samen misschien drie minuten duren. De rest is dan wel een leuk verhaaltje, maar zelfs al werden alle ontsnapte apen aan het einde genadeloos afgeslacht, dat zou geen enkel effect gehad hebben op de uitkomst van het grote geheel. En dat is een heel vreemd iets om te moeten constateren nadat de credits eigenlijk al gestart zijn.

De film is met gênant weinig moeite helemaal lek te prikken, maar voor één keer geldt het cliché: als je er niet te veel bij nadenkt is het zeker wel genietbaar. Hoewel de logica soms ontbreekt is het gevoelsmatig een heel solide, amusante film. Al zitten ook daar enkele kinken in de kabel. Twee apen in gebarentaal laten communiceren, en dat dan ondertitelen is geen goed idee. Dat lijkt me logisch. Maar veel en veel erger is de enorm geforceerde, gruwelijke referentie naar het origineel, wanneer Tom 'Malfidus' Felton er de inmiddels legendarische zin "Get your stinking paws off me you damned dirty ape" uitkraamt. Het voelt simpelweg onnatuurlijk aan in een film die op zich - moeilijke zin in aantocht - een prequel is die als reboot dient voor de remake van de gerefereerde film. Maar wat de film niet ten goede komt is dat je in de naschok van deze kleine ramp, terwijl je al kreunend in je stoel wegzakt, een belangrijk scène voorbijvliegt. Het is een groots moment van drama binnen het verhaal, dat compleet verprutst wordt door de geforceerde "hommage".

Ik herhaal: hoeveel er heel erg veel is om op te vitten is dit één van de betere blockbusters in lange tijd. De volledige cast draait op hoog niveau, en vooral de ééndimensionale schurken zijn zeer tof op een B-film manier. David Oyelowo - wie? - is niets minder dan briljant als James Franco's baas die alleen maar aan geld denkt. Even zijn bril opzetten vooraleer hij een oneliner à la "You'll get famous, I'll get rich" zegt. Ook Brian Cox is weer zijn intimiderende zelf en het is lang geleden dat ik nog eens zoveel zin had om een personage een klets rond de oren te geven als Malfidus hier. Het is typecasting, maar deze jongen weet als geen ander hoe je een personage enorm vervelend en frustrerend gemeen kunt laten overkomen.

Tot slot zijn de CGI én het werk van Andy Serkis weergaloos. Er is een ongeschreven regel dat CGI pas kan overtuigen als je er geen vergelijkingsmateriaal naast legt. En hoewel de film zijn best doet om alle apen - ook in het wild en in de zoo - door CGI te renderen wordt die regel toch jammerlijk gebroken, aangezien de film de pech heeft om aan maarliefst twee Taylor Lautner trailers gebonden te worden.

Maar het moet gezegd: de technologie staat inmiddels weer zes jaar verder sinds we onder de indruk waren van King Kong (het personage, niet die drol van een film die errond gebouwd werd) en dat is er aan te zien. Het is niet overdreven om te stellen dat we nu echt op een punt zijn gekomen waar, langzaam maar zeker, de grenzen tussen CGI en werkelijkheid beginnen te verdwijnen. Ceasar en een handvol andere apen zijn zo overtuigend - toegegeven, baby Ceasar ziet eruit als een tekenfilmfiguur - dat je ze moeiteloos accepteert als echte personages. De technologie achter RotPotA kan zich makkelijk meten naast andere briljante personages die door motioncapturing tot stand kwamen, zoals King Kong, Smeagol en de Na'vi. In feite valt de Rise of the Planet of the Apes als kijkervaring goed te vergelijken met Avatar: indrukwekkende CGI, met een duidelijke vakmanschap opgebouwd, maar uiteindelijk is het essentieel dat je vooral niet te veel over nadenkt.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen