26 juli 2011

Cyberbully (2011)

TV-stations zijn de laatste jaren een flinke factor geworden binnen de filmindustrie, op vlak van entertainment alleszins. Vooral The Asylum en Syfy komen op deze blog al eens voorbij met allerhande monsterfilms, maar ze zijn natuurlijk niet de enige die zelf films produceren. Andere, serieuzere zenders wagen zich er ook al eens aan, zo brengt HBO van tijd tot tijd al eens pareltjes uit. Nu, om een beeld te krijgen van ABC Family's originele producties brengt de TV-maatschappij dit jaar ook nog Mean Girls 2 (uiteraard zonder Tina Fey), My Future Boyfriend en Teen Spirit uit. Het is de oorsprong van de gemiddelde Vijf TV film, maar dan gericht op een nog ietsje jonger publiek. Wanneer dat bedrijf een film over computerpesten produceert moet je dus vooral je billen dichtknijpen, je hoofd bedekken en hopen dat alles goedkomt.

Cyberbully (of als je stijlvol wil zijn: Cyberbu//y) vertelt ons het verhaal van dat meisje dat in Hannah Montana meespeelt maar niet Hannah Montana zelf is (Taylor). Ze is een normale schoolgaande tiener die een aantal vrienden heeft, sociaal actief is, 's morgens met tegenzin ontbijt, etc. Ze is net zoals elke generatiegenoot die je persoonlijk kent hele dagen bezig met SMSen, chatten, en alles dat daar ook maar een beetje op lijkt. Maar moeder houdt zo nu en dan een oogje in het zeil en weet zo haar dochters online-gedrag volledig te controleren. Het leven is mooi, de zon schijnt, vogeltjes fluiten. Om haar aspiraties als journaliste te ondersteunen geeft de moeder niet-Hannah Montana een laptop. Een eigen computer. Een gebrek aan controle. Ze krijgt... zelfstandigheid.

Ik durf nauwelijks kijken.

Binnen de kortste keren ontdekt ze het sociale netwerk Cliquesters - dat vooral niet Facebook is - en is ze druk aan het socializen met haar kennissen van school. Zo leert ze de immer sympathieke Scott beter kennen. Ze versturen maarliefst 13 berichten naar elkaar op een half uur tijd (dit is werkelijk het informatietijdperk) en hij raadt haar aan eens een bikinifoto op haar Cliquesters (fuck het, vanaf nu noem ik het Facebook) te zetten. Ze leert zelfs een nieuwe jongen kennen op Facebook, die haar schrijven heel erg goed vindt. Dat schrijven is heel erg pseudo-poëtisch over de wind die in je ziel fluistert en dat soort Twilight-nonsens, dus laten we er maar van uitgaan dat die journalistieke ambities nergens naar toe leiden. Dat doet de film in ieder geval. Het loopt allemaal heel vlot voor onze protagonist wanneer het noodlot toeslaat: haar broertje wordt jaloers/wil zijn zus pesten/amuseert zich wat met een vriend (ik weet het niet meer precies, één van die drie klopt vast wel) en verandert haar status naar -slik- "I'm a naughty bad girl, somebody should spank me".


Wat je namelijk moet weten over Cyberbully is dat het zowel geschreven als geregisseerd is door vijftigplussers die klaarblijkelijk geen voeling hebben met de jeugd van vandaag. Jawel, Cyberbully is nog eens een echte "Flippo's en Gameboys" productie die zijn best doet om heel hip en cool over te komen, maar duidelijk niet weet wat de jongeren vandaag de dag drijft. De reacties op de bad girl/spank me status zijn dus geen grapjes (want we kennen vast allemaal wel mensen die zo'n Facebookstatussen zelf ook gewoon schrijven). Neen, het arme meisje wordt het slachtoffer van cyberpesten! En dit is wanneer de film pas echt weet uit te blinken.

Zo komt er al snel een reactie binnen van Lindsey Varkenskop, de überpestkop van de film. Ze zegt "Ew, who'd want to touch your ugly ass?". Waarop onze naughty bad girl reageert met "ur nasty and a bitch". Of de opeenvolging van berichten: "i sit behind you in algebra, you smell weird" - "that's what skanks smell like" - "what like puke?". Wanneer een vriendin haar vervolgens probeert te helpen met een "jealous much, she's smarter than you", wordt er genadeloos gecounterd met een "then y doesn't she know she's a loser". Jawel mensen, een flinke portie van wat je hier te zien krijgt is niets meer dan een verfilming van internet flamewars. Niet zo'n heel realistische overigens, want een "ur worse then hitler" krijgen we niet te zien.

En Hitler was ook al niet de populairste jongen op school.

Hoe extreem plat en hilarisch dat ook moge klinken, Cyberbully doet wel één ding goed. Het hoofdpersonage wordt namelijk afgebeeld als een realistisch hedendaags tienermeisje. Wat zoveel betekent als dat je na een kwartier al een gigantische grafhekel aan haar krijgt, en het niet eens zo gek lijkt dat ze inderdaad niet slim genoeg is om te weten dat ze zelf een loser is en naar kots stinkt. Je kent het wel: overdreven sarcastisch praten, met je ogen rollen, onbeschoft zijn tegen vriendelijke mensen, je vrienden flink beledigen omdat ze je raad geven die je niet wil horen, dat soort zaken. Het toppunt komt er al vrij snel wanneer een vriendelijke jongeman haar aanspreekt in verband met het pestgedrag op haar Facebook-pagina. Hij weet immers hoe het is, mensen noemen hem vaak "fairie", "homo" of "too gay to live". Maar dat is niet zo erg weet Taylor, want "you really are gay, what they're saying about me isn't true". Mooie levensles daar ABC Family, pesten is alleen erg als het niet waar is. Doe die scène volgende keer eens met een gehandicapte of iemand van een etnische minderheid, Amerika zou plots te klein zijn.

Taylor doet inmiddels weinig anders dan janken, achter Scott aanlopen en over de Facebookjongen praten. Ze is eigenlijk wel vrij skanky, waardoor die beledigingen eigenlijk helemaal niet zo erg waren, als we de regels die ze aan 2gay2live uitlegde voor waar aannemen. Maar dan, van de ene dag op de andere, verandert de internetman zijn gedrag en post hij openbaar "u really r, i got with you, now i have the clap". Een plottwist van formaat. Tussen de verdere verwijten door ("want to see nekkid girls in locker room, not taylor slut gross") loopt Taylor door de film heen alsof het een collage is van de laatste vijf minuten van verscheidene House afleveringen: prominent koude muziek, weemoedige shots van wandelingen in gangen, een flinke sfeer van melancholie. Taylor ziet er inmiddels uit als een junkie en besluit niet meer te kunnen leven in een wereld waar mensen haar stommerik noemen en zeggen dat ze stinkt. Ze post een afscheidsvideo op Facebook, wat volgt is een scène waar we nog jaren plezier aan zullen beleven.


Serieus, hoe kun je deze scène nog maar beginnen te beschrijven? Een minstens zestien jaar oud meisje probeert zelfmoord te plegen door een overdosis pillen te nemen. Ze krijgt het kinderslot echter niet open ("then y doesn't she know she's a loser" schiet ons spontaan te binnen). Wanneer haar vriendin, moeder en de ambulance aankomen stormen ze de kamer binnen, waar ze nog altijd met het kinderslot ligt te friemelen. Heeft ze tien minuten met dat potje staan ronddraaien? Kon ze geen andere mogelijke zelfmoord verzinnen nadat Plan A faalde? Kon een zestienjarig meisje écht niet deduceren dat je op de knop moet drukken terwijl je draait? Vond de schrijfster dit een plausibel scenario? Vond de regisseur dit een aangrijpende scène? Veel vragen, maar met enige zekerheid durf ik stellen dat dit de onbedoeld grappigste verijdelde poging tot zelfmoord is in de geschiedenis van de cinema.

Helaas is dit niet het einde van Cyberbully. Taylor wordt verdoofd en opgenomen in een ziekenhuis (dat doet een ambulance blijkbaar wanneer er in feite helemaal niets gebeurt). Ze gaat naar een zelfhulpgroep waar ze 2gay2live weer tegenkomt, er wordt een wet tegen cyberpesten aangevraagd, etc. etc. Laat het duidelijk zijn: het pestgedrag is waar de film punten weet te scoren. Het voelt gewoon compleet verkeerd en stereotyperend aan, en dat is het beste aspect van de film: de onbedoelde humor van alles. Maar het laatste half uur van de film is te letterlijk een poging om tegen de kijkende kinderen te zeggen wat ze moeten doen als ze gepest worden. Het breekt de vaart van de film en wordt slechts sporadisch opgefleurd met degelijke scènes (zoals een advocaat die het 'first amendment' gebruikt om het misbruik van zijn dochter goed te keuren). Uiteindelijk keert Taylor terug naar school en confronteert ze haar pesters rechtstreeks door te zeggen dat ze gemeen zijn en mensen kwetsen. Een staande ovatie is het gevolg. Je zou toch bijna medelijden krijgen met al die gepeste kinderen die na het zien van Cyberbully hun moed bijeen schrapen om hun aanvallers tegen te spreken met "Ik word daar wel heel triest van, ja". Dat is niet de manier waarop je kinderen moet leren voor zichzelf op te komen, want het leven is geen aflevering van Full House.

Dusja, wat probeert Cyberbully ons te zeggen? Als je pesters zegt dat ze gemeen zijn zul je overwinnen? Kinderen zijn dom wanneer ze over het internet praten? Kinderslot werkt natuurlijke selectie tegen? Neen, als je een degelijke film over pestgedrag wil zien, grijp dan naar Klass. Want dit is uiteindelijk - ondanks de bij momenten hilarische uitwerking - een dertien-in-een-dozijn verhaal dat ons op een wel heel simpele manier uitlegt dat pesten verkeerd is. En als je dat moet leren van een meisje dat nog geen kinderslot kan openen zou het me verbazen als je dit leest zonder een onderbroek in je bilspleet, twee natte oren en een aantal flinke blauwe plekken.

14 juli 2011

Paul (2011)

Zo'n beetje de hele wereld is verliefd geworden op het trio Simon Pegg, Nick Frost en Edgar Wright. Spaced was een geestige serie, Shaun of the Dead een goede zombieparodie en Hot Fuzz een briljante deconstructie van het actiegenre. Vooral Hot Fuzz was het hoogtepunt van hun samenwerking en is de voorbije jaren zelfs uitgegroeid tot één van mijn favoriete scripts aller tijden. Het is fenomenaal hoe scherp die film geschreven is: zo'n beetje elke zin werd met een reden geschreven, de grappen raken altijd doel, er is een duidelijke continuïteit in het script ivm eerdere passages citeren, etc. Het trio dat die film geschreven heeft is ondertussen ook aan andere projecten beginnen werken (het aftellen naar de finale van de zogenaamde blood-and-icecream trilogie laat nog wel een tijdje op zich wachten), en of ze het nu willen of niet: daaruit blijkt wel duidelijk wie het grote genie van de drie is.

Scott Pilgrim vs. The World was Wright's solowerk. De film had eenzelfde uitstraling als Shaun en Fuzz kenmerkte, en dat heeft niet alleen met zijn regie te maken. Scott Pilgrim zat vol met eenzelfde stijl grappen die subtiel naar de kijker geworpen worden. De film stroomt constant verder aan een hoog tempo zonder ooit verwarrend te zijn, respecteert zijn personages en werd op een slimme manier geschreven. Nu is er Paul, en tja...

Ik zal niet zeggen dat Pegg en Frost geen talent hebben om comedy te schrijven. Ze zullen allebei zeker en vast hun aandeel gehad hebben in de genialiteit van Hot Fuzz, ze weten alleen niet hoe ze hun ideeën moeten vertalen naar een coherent, uitgebalanceerd, scherp scenario. De film is helaas nogal een rommeltje geworden waar geen echte richting in te vinden is. Het plot op zich is weinig meer dan een veredelde kopie van E.T: Paul is een alien, wordt gevangen genomen, ontsnapt, ontmoet mensen, gaat terug naar huis. Daar is niets mis mee: dat is een luchtig verhaal waar plaats genoeg is om situatie- en personagebonden humor in te verwerken.

Maar de film is uiteindelijk gewoon niet grappig genoeg om te overtuigen als komedie. Er zitten geen echte dijenkletsers in of grappen die je hoog en al een uur na de film nog zal herinneren. We krijgen een verzameling clichés die in moderne komedies veelal gebruikt worden, maar waar helemaal niks origineel of eigenzinnig mee gedaan wordt. Een opsomming: een portie drugs-humor, wanneer Kristen Wiig aan een joint trekt en vervolgens moet lachen, honger krijgt en dwaze dingen zegt. Er zitten homo-grappen in, wanneer mensen denken dat Pegg en Frost meer zijn dan "gewoon vrienden". Er wordt zogezegd grappig gevloekt, met een hoop 'fuck', 'balls', 'penis', 'shit' en dergerlijke, die gecombineerd worden op een... tja, ik denk dat je het een "creatieve manier" zou moeten noemen, maar echt grappig is het allemaal niet. Het vreemdste aspect van de film is misschien wel de vrij sterk aanwezige atheïstisch humor. Kristen Wiig's personage begint als een sterk religieus iemand, die haar geloof verliest nadat ze Paul leert kennen. Het is opmerkelijk dat de religieuze personages compleet belachelijk gemaakt worden, van zaken als "de Heer zal ons wel genezen" tot op je knieën vallen en weesgegroetjes beginnen bidden. Aan het einde van de film zegt Wiig zelfs letterlijk dat Paul haar "bevrijd heeft", aangezien hij haar Godsbeeld heeft vernietigd. Nu heb ik op zich geen problemen met een anti-religieuze houding, maar zo'n atheïstisch standpunt heeft nu eenmaal geen plaats in een komedie. Het is veel te zwaar, een te serieuze kwestie, om zomaar eventjes belachelijk te willen maken.

Maar goed, de hele toon van Paul loopt zelfs zonder dit zure atheïstische aspect flink in het honderd. Aan de basis is dit natuurlijk een komedie over een alien en zijn avontuur, maar er zitten een paar serieuze dompers in. De toon van de film is gewoon niet constant: bij momenten is het een veredelde tekenfilm, waar mensen in het kruis geschopt worden om ze uit te schakelen, en waar Paul kan blijven stilstaan zodat mensen denken dat hij een etalagepop is. Maar andere momenten zijn er dan weer mensen die levend verbranden (al beweren de credits van niet, maar goed), of iemand die met een shotgun in de borst wordt geschoten zodat er een klein dramatisch momentje uitgeperst kan worden.

En hoewel de film alle kanten op gaat, blijft hij voornamelijk ook stil staan. Tussen het ontmoeten en het afscheid nemen van Paul - laten we zeggen een klein half uurtje - zit ruim een uur film waarin geen opbouw zit. We leren niets over deze personages, er zit geen waarneembare vooruitgang in het plot, er zitten geen wendingen in de verhaallijn. Er gebeurt gewoon niets, behalve dan dat de groep achtervolgd wordt door de slechteriken.

En toch is Paul absoluut geen blamage zoals The Hangover: Part II was. De grappen mogen dan wel zéér vaak langs de kijker heen vliegen en hoogstens een paar glimlachjes forceren, maar ze storen niet in die mate dat je er kwaad van kan worden. De cast is heel sterk met een altijd goede Frost en Pegg, een amusante Kristen Wiig en Seth Rogen die - en dit is een grote verrassing - een degelijke stemacteur is. De CGI voor het personage is ook meer dan degelijk en visueel is het geen enkel probleem om het computereffect als personage te accepteren. Jason Bateman lijkt zwaar miscast als de speciale agent die de groep opjaagt, maar uiteindelijk weet hij makkelijk te overtuigen. En omdat de cast tof is en er geen grappen van té laag niveau zijn weet de sfeer opperbest te blijven. Want als er één positieve zaak over Paul te zeggen valt, is het wel dat de film ondanks alles tof is om naar te kijken. Het is niet heel grappig, het plot vervalt al eens in clichés, de film staat een goed uur zowat stil, maar toch verveelt de film op zich geen seconde. En dat is ook al heel wat waard. Dusja: Paul is een vreemd filmpje om te moeten quoteren: er scheelt meer dan genoeg mee om niet over een goede film te kunnen spreken, maar ik kan ook niet zeggen dat ik spijt heb dat ik er naar gekeken heb. Positief? Negatief? Vervelend? Amusant? Paul is uiteindelijk, in één woord, gewoon heel erg..... mwe.

2 juli 2011

Sucker Punch (2011)

Vrienden, groot nieuws! Sucker Punch werd algemeen bijzonder slecht onthaald: critici deden waar ze goed in zijn en verscheurden de film op haast ongezien brute wijze, en ook het grote publiek werd in het algemeen niet warm voor Snyder's nieuwste. Wel, mijn persoonlijke mening over Sucker Punch is - en dit is zowat een unicum - dat hij beter is dan wat de meeste mensen zeggen. Nu weet ik ook eens hoe dat voelt, want vaak overkomt mij dat niet.

Het meest gehoorde argument is tegelijk ook het minst begrijpelijke: er zou geen logisch, coherent verhaal in de film zitten. Geen idee waar die mensen naar hebben zitten kijken, want Sucker Punch kent wel degelijk een solide plot, dat op zich zelfs vrij simpel is. Misschien dat die mensen verloren liepen in het scenario: het kan bijna niet anders of Zack Snyder heeft Inception gezien en vond die narratieve lagen ZO cool dat hij ze perse in zijn film moest hebben. Daardoor krijgen we het verhaal van een meisje dat in een mentale instelling opgenomen wordt, een instelling die gevisualiseerd wordt als bordeel, waarin ons hoofdpersonage sensueel moet dansen, dansen die gevisualiseerd worden als dikke vette nerdgasmische actiescènes.

En laten we vooral eerlijk zijn: dat is wat iedereen van deze Sucker Punch wou, en voor een groot deel levert Zack Snyder echt wel wat je kan verwachten. Een gigantische samoerai met een machinegeweer, een horde Nazi-zombies, een leger orks, vuurspuwende draken, gezichtsloze robots, ... Zack Snyder is gewoon een grote nerd die per dom toeval een carrière in Hollywood heeft gekregen, en tijdens deze actiescènes is dat dan ook duidelijk. Voordeel: je merkt Snyder's enthousiasme echt wel en hij weet visueel heel coole dingen te creëren. Nadeel: Snyder is geen goede regisseur. Spanning zit er nooit echt in deze scènes, er zit geen opbouw doorheen de actie, en vooral - VOORAL - moet Snyder eens met zijn fikken van die slowmotion knop afblijven. Zack Snyder is tegenwoordig niet zozeer een regisseur als dat hij een franchise op zichzelf is: we hadden eerder al 300, daarna kwam 300: Watchmen, en nu dus 300: Sucker Punch. Het is knal dezelfde opeenhoping van kleurenfilters - die vaker gatlelijk zijn dan dat ze positief werken - en slowmo, eventjes versnellen en dan weer driedubbele slowmo. Niemand vindt dat nog tof Zack Snyder. Niemand. Stop ermee.

Maar hey, eerlijk is eerlijk: ondanks de soms nogal frustrerende stijl werkten die scènes wel voor mij. Het is de domst mogelijke actie die je je maar kan inbeelden, maar het is echt wel heel cool en - een pluim in zijn hoed mag ook wel - Snyder brengt tenminste overzichtelijke actie. Eigenlijk snap ik alleen daarom al niet waarom deze film zoveel haat heeft gekregen: in een tijd waar actie op alle momenten maar voor de helft in beeld gebracht mag worden is dit nog eens echte, oerdegelijk ineen geknutselde actie met overzichtelijke shots en een natuurlijke editing. De mensen die al begonnen te roepen dat het de slechtste film van het jaar werd: hebben die de gigantische clusterfuck van een Battle: Los Angeles niet gezien? Wisten die niet dat er nog een nieuwe Transformers voor de deur staat? Sucker Punch is echt geen onkijkbare rotzooi, het is gewoon een betrekkelijk matig tot slechte film.

Want als er geen actie op het scherm te zien is trekt Sucker Punch wel degelijk op niks. Er is gewoon geen bal te beleven, het verhaal (ik herhaal: wel degelijk aanwezig!) is gewoon te dun uitgesmeerd om een uur en drie kwartier te blijven boeien. Het kijkt een beetje weg als Pan's Labyrinth, maar dan zonder al de burgeroorlog-scènes, en wel.... dat waren de beste stukken. Er is wat getetter doorheen de actiescènes heen, waarbij de meisjes bepaalde items bekomen, en dan is het weer tetteren terwijl we zitten te wachten op meer actie. Pas op, dat praten is iets wat de film absoluut nodig had, maar dan wel om de personages wat uit te werken of het verhaal te begeleiden, niet van dat nietszeggend gebrabbel waar deze film in uitblinkt.

Dus de actie is wel ok, de rest is opvulling, en de ratio "ok vs. opvulling" is niet positief. Snyder's regie is vrij kinderachtig en de muziek is om je haar van uit te trekken, maar dat maakt van Sucker Punch nu ook weer geen gigantische ramp. Ik heb al veel slechter gezien, ik zal nog veel slechter gezien en als het een beetje tegenzit komt deze niet eens in mijn lijst van de slechtste films van 2011. Het is die heksenjacht die deze film achter zich aan gekregen heeft gewoon niet waard. Naar het schijnt zou Zack Snyder zelf gezegd hebben het toppunt qua slowmo-bullshit bereikt te hebben en zou hij zijn Superman-project op een rustigere manier aanpakken. Dus als Sucker Punch het tussenstation is naar een kijkbare Man of Steel toe moeten we de film juist omarmen, en niet opjagen met hooivorken en fakkels. Dus relax, neem de film voor wat het is en wanneer je de nood voelt om Sucker Punch weer eens te vierendelen, herhaal je gewoon de mantra "Het is geen Battle LA. Het is geen Battle LA. Het is geen Battle LA."

12 juni 2011

The Hangover Part II (2011)

The Hangover was een redelijk toffe film: in een tijd waar nu eenmaal geen écht goede komedies gemaakt worden (in de pakweg laatste vijf jaren schieten enkel Black Dynamite en In the Loop mij te binnen) stond deze wel degelijk boven de absolute rotzooi die er geproduceerd wordt in het romcom- en 'Voorzetsel Movie'-wereldje. Het kan zich niet meten met diverse Brooks of Zucker producties, maar het staat duidelijk boven de huidige middelmaat. Gezien de film schandalig veel geld binnenhaalde werd er heel snel een sequel ineen geflanst, en dat is pijnlijk duidelijk geworden in het eindresultaat. The Hangover Part II werd in sneltempo gemaakt terwijl het publiek nog warm was voor het origineel, het plot (nog steeds rechtstreeks van Dude, Where's My Car? overgeheveld) is een identiek framework waar grappige situaties en goede grappen ingeschreven konden worden. En zo'n luie aanpak... tja, het stoort mij niet bij komedies. Een komedie staat nog steeds op het aantal goede grappen en situaties, niet op de originaliteit van het overkoepelende verhaal. Jammer dus dat ik op moment van schrijven niet op één lachwekkend of enigszins memorabel element van de film kan komen.

The Hangover was dan wel eerder grappig door zijn situaties dan door effectieve grappen, maar toch was de film behoorlijk scherp geschreven. Er was "paging doctor faggot", er was de masturberende baby, er was de Holocaust-ring, en zo kunnen we nog wel een tijdje doorgaan. Lang niet allemaal momenten om hardop mee te lachen, maar wel consequent amusant en er was gewoon heel goed over het script nagedacht. Daar was voor deze sequel geen tijd voor: alles moest snel gebeuren, wat leidde tot een barrage van platte moppen en makkelijke humor. En bij momenten worden er al eens dingen overgenomen van de eerste film (Mike Tyson is weer terug) of worden die vervangen door iets anders (de gestolen tijger uit deel 1 is deze keer een gekidnapt, rokende aapje met een Rolling Stones vest). Bijgevolg voelt de film herhalend aan zonder echt een nieuwe insteek te hebben, en heeft The Hangover Part II alle moeite om je aandacht vast te houden, laat staan je te laten lachen.

Zack Galifianakis is daar een mooi voorbeeld van. Waar hij in de eerste film nog een kinderlijke charme had is hij hier de helft van de tijd gewoonweg vervelend. Hij heeft nog altijd vlagen waarin hij vrij geestig voor de dag kan komen, maar door het zwakke materiaal werkt dat lang niet zo vaak als in de eerste film. Zo heeft hij bijvoorbeeld een tiental slapstick momenten waar hij struikelt en op de grond valt: zelfs één van de Marx-broertjes zou dat in deze tijd niet meer grappig kunnen maken. Nog veel vervelender is Ken Jeong, die veel meer schermtijd krijgt dan in de eerste film. Het was alweer een tijdje geleden dat ik een acteur zichzelf zo schaamteloos belachelijk zag maken als hij: enorm over the top flamboyant en verwijfd, en simpelweg irritant om bezig te zien.

De rest van de cast doet het even goed als in de eerste en weten de film nog enigszins draaglijk te maken, maar komen niet in de buurt van het redden van deze desastreuze sequel. Het script is gewoon enorm zwak. Of het nu visuele grappen zijn (zoals Ken Jeong met een miniscuul klein pietje) of de platte grappen (Ed Helms heeft seks gehad met een travestiet, lachen!), The Hangover Part II is dik geflopt in dat éne aspect dat belachelijk is voor een komedie: er valt gewoon veel te weinig te lachen in deze film. Daar kan de degelijke sfeer en goede cast helaas geen verandering in brengen. Ten zeerste te vermijden.

3 juni 2011

The Tree of Life (2011)

Het kent geen conventioneel, rechtlijnig narratief, maar weet wel een pakkend verhaal te vertellen. Het kent bijzonder weinig dialoog, maar tegelijk leer je deze personages beter kennen dan eender welke vocabulaire ravage ooit zou kunnen forceren. The Tree of Life is film op een nieuw niveau, een hoger niveau. Een niveau dat arthouse-cinema aspireert te bereiken, maar daar nooit op deze manier in geslaagd is. Van al de vergelijkingen met 2001: A Space Odyssey die ongetwijfeld een verkeerde indruk van deze film in uw onderbewustzijn gegraveerd hebben is er slechts één die in de mond genomen mag worden: dit is de meest unieke, visionaire, larger than life productie die door een grote studio gesteund werd sinds Kubrick's interpretatie van de mensheid.

Er is veel te doen geweest rond deze film: een dualistisch publiek in Cannes (niet dat dat zo vreemd is, die Fransen lijken het uitjouwen van films even gebruikelijk te vinden als het eten van popcorn), maar haalde vervolgens wel de Palme D'or binnen. Critici waren ook verdeeld, met veroordelingen gaande van meesterwerk tot pretentieuze masturbatie van een té eigenzinnige regisseur. Om mijn oordeel alvast mooi te kaderen voor de komende recensie: de term "meesterwerk" klinkt nog niet sterk genoeg om de liefde die ik voor deze parel voel uit te drukken.

Nooit eerder heb ik zo onwezenlijk in een bioscoop gezeten. Ik werd het scherm ingezogen, waar ik een verbintenis voelde met de film zoals ik nooit eerder meegemaakt heb. Na een korte intro kent The Tree of Life een sequens van een goede twintig minuten waar de evolutie van de aarde getoond wordt door een opeenvolging van natuurbeelden, ondersteund door klassieke muziek. Het waarom weten we nog niet, maar het kan niemand een bal schelen: kippenvel en opzwellende tranen terwijl je met open mond zit te gapen naar deze overweldigende schoonheid. Elk beeld mag eeuwig op mijn netvlies blijven ronddansen en elke muzieknoot mag voor altijd blijven kamperen in mijn gehoorgang. Woorden kunnen niet beschrijven wat voor een pracht deze combinatie van beelden en muziek inhoudt.


En dat is dan ook de grootste troef van de film: het weet een gevoel op te wekken. En eerlijk gezegd heb ik geen idee welk gevoel dat precies is. Was het nu nostalgie naar een tijd die ik niet ken?Admiratie voor de schoonheid die op het scherm getoverd wordt? Empathie voor de personages? Ik kan het niet zeggen, maar het is een gelukzalig gevoel. Een gevoel waar ik nu al bijna met heimwee naar terugdenk. Een gevoel dat zich onherroepelijk heeft verbonden met deze film, een gevoel waardoor je maar al te snel weer naar de bioscoop wil rennen. De film kent een hypnotisch effect op zijn kijker en is op zichzelf in feite visuele poëzie, het dichtst dat een heiden als ik ooit bij een spirituele ervaring zal komen. The Tree of Life speelt zich niet af als gebruikelijke film met A naar B karakterontwikkelingen, dramatische spanning en een afgerond plot; het voelt eerder aan als een symfonie, bestaande uit bewegingen die allemaal betekenis vinden in de karakteristieken en persoonlijkheid van de personages, de natuurlijke fenomenen, de film. Dialogen doen er niet toe, de wondermooie muziek zegt minstens even veel als woorden zouden kunnen, en in combinatie met de suggestieve beeldmontage zegt het ons alles wat we moeten weten. The Tree of Life is een emotionele beleving die verder gaat dan de conventies van het medium "film" zoals we het tegenwoordig kennen, een beleving die geen recht kan gedaan worden met woorden. Onderstaand fragment weet zoveel meer over de film te zeggen dan ik ooit zou kunnen.


Die ongenaakbare schoonheid (overigens een compleet willekeurige minuut uit de film) is wat The Tree of Life het best samenvat. Een groot aandeel van dat aspect is één van de grote onbezongen helden van het voorbije filmdecennium: Emmanuel Lubezki, de vaste cinematograaf van Terrence Malick en Alfonso Cuarón (niet geheel verrassend werkte hij dus ook mee aan mijn favoriete film aller tijden, Children of Men). Wat deze man voor elkaar krijgt valt niet anders te bestempelen dan als simpelweg de mooiste cinematografie die ik ooit gezien heb. Ik weet dat ik onderhand in superlatieven blijf hervallen, ik heb zelfs bewust enkele dagen gewacht met het schrijven van deze recensie om mijn enthousiasme wat te temperen, maar visueel is The Tree of Life compleet, over de volle 100% perfectie. Elk moment in de film is opzichzelfstaand wonderbaarlijk, of het nu de natuurlijke belichting is of de constante cameravoering. Elk shot straalt meesterschap uit, en elk fragment opnieuw weer blijft de klasse van Lubezki je overvallen.

De cast, wederom, perfect. Brad Pitt heeft weeral eens een grote regisseur tevreden gesteld met een briljante rol (behoren inmiddels tot die lijst: Gilliam, Fincher, Iñárritu, de Coens, Tarantino en nu dus Malick) en straalt een enorme autoriteit uit als de vader. Jessica Chastain is niets minder dan fenomenaal als de moeder en het is lang geleden dat we nog eens zulke sterke kindacteurs zagen rondlopen als hier het geval is. Enige "smet" is misschien Sean Penn die weinig meer doet dan tien minuutjes rondwandelen in de film, maar we kunnen hem moeilijk kwalijk nemen dat hij een kleine rol aannam om in dit meesterwerk te mogen meespelen.

De manier waarop je deze film verteert zal uiteindelijk sterk van je karakter afhangen. Malicks boodschap is er een van échte liefde, iets dat we in Hollywood tegenwoordig enkel nog tegenkomen als synoniem voor domme verliefdheid. Malick propageert hier een leven van liefde, vreugde, geluk. Het is verfrissend om zo'n optimistische kijk op de mensheid terug te zien, maar de cynici onder ons zullen dat- en zeker ook door het bijna te zoetsappige einde - afwimpelen als naïef gezwets, en als je niet wil meegaan in Malicks idealistische sfeertje is het misschien moeilijker om te baden in de pure pracht van The Tree of Life. Wel, dat is hun verlies.

Goed, het zal vast geen film voor iedereen zijn en ik kan ook wel begrijpen waarom er tegenstanders zijn die niet zo sterk geraakt werden door The Tree of Life als ik, maar ondanks dat kan ik alleen maar van harte aanbevelen om deze film te gaan kijken. In de bioscoop, en anders op zijn minst op bluray, om het geniale visuele aspect gepast te eren. Het is een unieke film die veel harten zal veroveren en, naar mijn gevoel, een blijvende stempel kan drukken op je leven. Door die impact is The Tree of Life een film die ik met alle mogelijke overtuiging aanraad: er is het risico dat de film compleet langs je heen vliegt en je je zal zitten vervelen, maar dat risico is het meer dan waard.

5/5
Geen image als quotering deze keer. Alles leek te banaal in contrast.

29 mei 2011

Species (1995)

In het teken van intergalactisch broederschap stuurt een aantal wetenschappers een basispakket informatie de ruimte in: de hoeveelheid mensen op aarde, onze DNA baseparen, etc. etc. Als antwoord krijgen ze een manier om quasi oneindig veel energie uit methaan te winnen: deze informatie blijkt te werken, de mensheid is dankbaar. Ook krijgen ze informatie om het menselijk genoom, zonder verdere uitleg, 'aan te passen': hey, het energie-gebeuren werkte, waarom dit niet eens proberen? Dat is in feite het scifi-equivalent van het openen van .exe bestanden uit spammails. Een foetus wordt behandeld, groeit extreem snel, ontsnapt uit het instituut, vermoordt mensen en vervolgens hebben we een nieuwe science fiction franchise volledig in het verlengde van Alien en Predator. Tip aan toekomstige wetenschappers die dit lezen: als buitenaards leven je een vage techniek opstuurt om het menselijke DNA grondig aan te passen, bedank dan vriendelijk.

Species is op zich een B-scifi horrorfilm die werkelijk helemaal niets écht interessants doet dat we niet in eerdere, betere films gezien hebben. Maar toch was dit gek genoeg geen B-film die rechtstreeks op VHS verscheen, maar werd Species in de bioscopen vertoond en wist de film zelfs flink wat winst te maken. Misschien ligt het wel aan de cast die uit opmerkelijk grote namen bestaat, grote namen die (nog veel opmerkelijker) niet lijken te weten welke toon ze precies moeten aanhouden. Oscarwinnaar Ben Kingsley mag de kar trekken als de leider van het experiment: dit was twee jaar na zijn glansprestatie in Schindler's List, waardoor het nog veel frappanter is hoe hard Kingsley hier aan het prutsen is. Hij is aanwezig op de set en spreekt zijn zinnen verstaanbaar uit, maar meer inzet heeft Kingsley echt niet in deze film gestoken. Daar tegenover staat Forest Whitaker - nog geen gigantische naam in die tijd, maar toch een talentvol acteur - die dan weer veel teveel zijn best doet met zijn personage. Hij speelt een soort mentalist die bij momenten relevante informatie zomaar weet (een plot device om u tegen te zeggen) en van de ene extreme emotie in de andere sukkelt. Whitaker zag die opvolging van emoties duidelijk als een mogelijkheid om zijn acteertalent te etaleren... in een cheesy horrorfilm over een gecamoufleerde alien die mensen meestal offscreen vermoordt. Verder speelt Michael Madsen zo'n beetje dezelfde rol als in 80% van zijn films, laat Marg Helgenberger (van CSI) weinig indruk achter en is Alfred Molina de enige die echt wel plezier lijkt te hebben gehad tijdens het maken van de film.


Maar deze heel groep mensen is compleet vergeetbaar en weinig memorabel. Waar het eerder genoemde Alien en Predator vol interessante en amusante personages zat is Alfred Molina hier de enige die niet ronduit vervelend is wanneer hij schermtijd krijgt. De echte ster is de alien zelf: Natasha Henstridge debuteert hier als Sil, een blonde alien met zulke lange benen dat Cylon #6 van Battlestar Galactica er flink jaloers op zou worden. Henstridge is niet ruim bedeeld op vlak van acteertalent, maar wie kan dat eigenlijk wat schelen? Veel belangrijker is dat Henstridge een schoonheid is van een niveau dat we maar zelden op het witte scherm tegenkomen, het soort alien waarvan je hoopt dat - als je dan toch moet sterven - ze op z'n minst een facehugger is. Henstridge is hoogstwaarschijnlijk een topmodel dat per dom toeval op een filmset gesukkeld is, en is daardoor ongetwijfeld de enige reden waarom deze film werkt en enige populariteit verkreeg. Regisseur Roger Donaldson schaamt zich daar dan ook niet voor, en Henstridge krijgt een minimum aan woorden om zich druk over te maken terwijl ze minstens de helft van haar schermtijd in lingerie, dan niet topless rondloopt. En oké, dat is misschien oppervlakkig, goedkoop, seksistisch, objectiverend naar vrouwen toe en soms ronduit smaakloos... maar in het kader van deze film: driewerf hoera!!!!

Het interessantste aan Species is ongetwijfeld het scenario van de hand van Dennis Feldman: een schrijver waaroverover niet al te veel te vinden valt op het internet, maar overduidelijk een man voor wie Sigmond Freud zijn mouwen wel eens zou durven opstropen.


Alien Sil mag dan wel een ongeziene moordgriet zijn, maar verder heeft ze niet zo heel veel vaardigheden of kennis. Alles wat ze doet leert ze doorheen de film, door het op TV te zien of iemand anders na te doen (vergelijkbaar met die andere blonde, vrouwelijke alien: Sally van 3rd Rock from the Sun). Haar doel in de film is om een partner te zoeken: de alien wil zich voortplanten en heeft daar mannelijk zaad voor nodig. Ze verleidt enkele mannen om hen daarna af te wijzen en/of te vermoorden, totdat ze uiteindelijk succes heeft. Alfred Molina beleeft enkele van de meest genietbare minuten in zijn leven, waarna Sil een transformatie ondergaat. Waar ze voorheen nog het schoolvoorbeeld van een femme fatale was, verandert ze nadat ze Molina "veroverd heeft" in een afschuwelijk monster. Fysiek afstotend en een veel groter gevaar voor de mensen die haar zoeken dan eerst. Ook baart ze in die toestand een kind dat er ook bijna in slaagt één van de hoofdpersonages te vermoorden. Ik weet niet of meneer Feldman een ongelukkig huwelijk (en enkele ondankbare kinderen) achter de rug heeft of niet, maar als we teveel achter dit scenario zouden zoeken zouden we misschien durven concluderen dat Dennis Feldman geen grote waardering kent voor het vrouwelijke geslacht. Maar zo'n conclusie zouden we niet durven trekken over de schrijver die ook "Real Men" en "Just One of the Guys" aan de wereld schonk.

Uiteindelijk is Species een genreoefening die niets nieuws brengt en op zich slechts een veredelde tettenfilm is. De cast overtuigt niet, het verhaal is herkauwd, spanning bijna onbestaand, ... De speciale effecten variëren tussen degelijke praktische effecten en typische 90's CGI-rotzooi die gerenderd lijkt te worden op een Nintendo 64: het is van Kingdom of the Crystal Skull geleden dat het nog zo pijnlijk was om een fysieke manifestatie van aliens te zien. Het heeft bij momenten wel enige charme en Natasha Henstridge is een lust voor het oog (gezien haar verdere carrière zal ze altijd herinnerd worden als het sekssymbool uit deze film), en de enige verdienste van Species is dat het er wel in slaagt om niet al te saai te worden. Een ideale film om met één oog te volgen terwijl je ergens anders mee bezig bent, verder volkomen vergeetbaar.


12 mei 2011

Phantasm II (1988)

Laten we even terugdenken aan de originele Phantasm. Volledig in de traditie van verwante horrorfilms wordt de schurk - de geweldige Tall Man - vermoord: hoofdpersonage Mike en zijn broer Jody hebben hem voorgoed weggewerkt, terwijl het coolste personage van de franchise, ijscoman Reggie, is omgekomen. In de volgende scène zien we Mike en Reggie echter in de woonkamer zitten: Mike woont blijkbaar bij Reggie, die hem vertelt dat het hele verhaal slechts een droom was en zijn broer Jody bij een accident is gestorven. Daardoor wordt de volledige eerste film dus eigenlijk pure fictie binnen de film, wat impliceert dat we een soort van happy-end bereikt hebben en de film afgerond is. Maar dan loopt Mike naar boven, ziet hij de Tall Man en wordt hij een spiegel ingetrokken door jawas. Het is inmiddels een klassieke twist geworden voor horrorfilms (de Nightmare on Elm Street heeft er een patent op), maar ik kan me voorstellen dat dat in 1979 een mooie verrassing was. Het maakt de film er niet bepaald duidelijker op: is de Tall Man nu toch echt?

Don Coscarelli heeft ongeveer tien jaar gewacht om een vervolg aan zijn verhaal te breien. Hij kreeg 3 miljoen van Universal (ironisch genoeg het hoogste budget voor eender welk deel in de Phantasm-serie, maar het laagste budget dat Universal dat jaar aan een film zou spenderen) en besliste om een direct vervolg te maken. Nadat de jawas Mike gegrepen hebben slaat Reggie er een paar neer met een honkbalknuppel en draait hij de gas open: Reggies redt Mike uit zijn ontploffend huis. We springen naar zes jaar later, wanneer Mike uit een instelling wordt vrijgelaten, waar Reggie hem uitlegt dat die ontploffing bij hem thuis nooit gebeurd is. Het rechtstreekse vervolg op het fakeout einde - tien jaar na het origineel! - is dus een fakeout begin van de film. Mike komt erachter dat de Tall Man graven leegrooft en wil de jacht op hem openen, maar Reggie wil niet mee. Daar komt verandering in wanneer zijn huis ontploft en familie omkomt. Waarom ontplofte zijn huis? Waarom gebeurt hetzelfde twee keer binnen een kwartier tijd? Is dit realiteit of ook weer een fakeout? Dat is de mindfuck van Phantasm.

Phantasm II doet vooral sterk denken aan Evil Dead II. Net als die franchise was het origineel gewoon een stevige, conventionele horrorfilm vol schrikeffecten en een beetje surrealisme. In het tweede deel staat de horror goed in balans met actie en humor, wat voor een gevarieerde en onderhoudende film zorgt. Het is vooral in het laatste half uur dat de Evil Dead II-vibe sterk is. Mike en Reggie stelen/maken wapens om de Tall Man zijn mausoleum mee aan te vallen: een vlammenwerper, een vierloops shotgun, en natuurlijk hét voorwerp dat niet kan ontbreken in dit soort film, een kettingzaag. Zie bijvoorbeeld onderstaand fragment (en tevens de beste scène in de film): dit doet niet meer denken aan de dreigende sfeer die Don Coscarelli tien jaar eerder had geïntroduceerd.


Phantasm II is dus meer Dream Warriors dan Freddy's Revenge, waar we blij om mogen zijn. Het is niet even sterk of duister als het origineel, maar er zit veel meer fun in de serie. Zo zien we bijvoorbeeld ook hoe het lichaam reageert wanneer je je aders vol zoutzuur vult (tip: het is een beetje als naar de Ark van het Verbond kijken) en zijn de vliegende ballen weer terug en dreigender dan ooit. Deze film is wederom door Don Coscarelli geschreven en dat zie je eraan: hij kent zijn universum en bouwt verder op zijn eerste film zoals maar weinig horrorseries kunnen. Er worden vragen opgelost, maar er komen ook weer een heleboel vragen bij en zelfs het einde is weer even van de pot gerukt als in het origineel.

Er is slechts één fout die Phantasm II maakt, en die zorgt ervoor dat vooral de tweede akte niet altijd even interessant is. Er wordt een soort psychisch liefdesverhaal doorheen de film gedraaid tussen Mike en een nieuw personage waar de Tall Man op jaagt. Het is nogal afleidend, onnodig en nodeloos verwarrend: we zien haar op een bepaald punt met een sandworm die uit haar rug groeit waarna de vlammenwerper op haar geledigd wordt. Maar aangezien het Phantasm is weerhoudt dat haar er niet van om een paar scènes later weer terug te keren zonder dat er nog naar gerefereerd wordt.

Ook jammer om te zien is dat Michael Baldwin niet terugkeert: Coscarelli moest één van zijn hoofdpersonages vervangen door een grote naam, waardoor we James LeGros in zijn rol krijgen (groot is relatief). Hij speelt het eigenlijk niet slecht en is wel ok, maar brengt niet dezelfde charme die Baldwin in de eerste film wist te brengen. En om de hele continuïteit op te fucken keert Baldwin wel weer terug als Mike in Phantasm III. Maar goed: àls je dan toch moet kiezen van je studio, dan heeft Coscarelli wel de juiste keuze gemaakt, want maar weinig mensen zouden Reggie Bannister kunnen vervangen in zijn rol. In de eerste nog een simpele ijscoman, hier een rasechte, retecoole actieheld.

Phantasm II is bij momenten een beetje geforceerd en de introductie van Mikes vriendin en hun mentale band is nergens voor nodig, maar verder is dit een zeer genietbare sequel. Hij vraagt een andere ingesteldheid dan zijn voorloper, maar het is duidelijk een film met een eigen identiteit, en niet zomaar horrorsequel II.