25 oktober 2011
The Adventures of Tintin: The Secret of the Unicorn, Kuifje voor de vrienden
Er is eindelijk een Kuifje-film. En hoewel dat op zich al een reden is om enthousiast te worden, is er nog een veel grotere; deze is namelijk geregisseerd door Steven Spielberg, geproduceerd door Peter Jackson en geschreven door Edgar Wright, Steven Moffat en Joe Cornish. Om dat even in perspectief te zetten: de drijvende krachten achter deze film zijn rechtstreeks verantwoordelijk voor Raiders of the Lost Ark, The Temple of Doom, The Last Crusade, Jaws, Jurassic Park, E.T., Minority Report, Schindler's List, Munich, Saving Private Ryan, Braindead, Meet the Feebles, The Fellowship of the Ring, The Two Towers, Return of the King, Spaced, Hot Fuzz, Shaun of the Dead, Scott Pilgrim vs. The World, Doctor Who, Sherlock, Coupling en Attack the Block. Het is onmogelijk dat deze vijf mannen samen een slechte film zouden voortbrengen. Letterlijk onmogelijk. Dit is wat men noemt een blockbuster dreamteam.Met zo'n hooggespannen verwachtingen hou je er op voorhand al rekening meel dat ze niet ingelost gaan worden. Komt daar nog eens bij Kuifje een flinke nostalgische waarde biedt, iets waar Spielberg niet altijd deftig mee lijkt om te kunnen gaan (Indiana Jones 4, om eens iets te noemen). Je weet dat het altijd, hoe onwaarschijnlijk het ook lijkt, mis kan lopen en je probeert dat in te calculeren. Je probeert er rekening mee te houden, je gedachten in te tomen, maar het lukt maar niet. Dit moet de tofste, amusantste blockbuster in jaren worden.
En jawel: dit is misschien wel Spielbergs beste film sinds Schindler's List. En hoewel hij tegenwoordig wel wat meer halve missers maakt dan vroeger, zitten er in de post-Schindler periode toch wel enkele kleppers als Munich en Minority Report.
En het moet gezegd dat de adaptatie naar het witte doek zeer accuraat gedaan is, in hoeverre mogelijk. Dit is namelijk generatie Y waar we over spreken: waar Kuifje vroeger volledig bestond uit avontuur en intrige, is dat niet iets waar de ADD-doelgroep van tegenwoordig zich anderhalf uur mee kan bezighouden. De nadruk bij deze Tintin ligt dus vooral op grote actie set-pieces die in het originele werk nauwelijks terug te vinden zijn. Ter illustratie; in het origineel komt Kuifje aan de centrale Macguffins op een behoorlijke simpele manier: hij neemt er één van de slechteriken en krijgt de andere simpelweg van Jansen & Janssen. In de verfilming wordt dat lichtjes ander geïnterpreteerd, en krijgen we een gigantische actiescène doorheen Marokko waar de voorwerpen steeds van eigenaar veranderen. Dat is een soort modernisatie die noodzakelijk was, en een die volledig binnen de geest van het originele werk past.



Als ik dan toch naar kritiekpunten zou moeten vissen kan je wel stellen dat dit een behoorlijk drukke film geworden is. De elementen die ze in deze film wouden steken volgen elkaar aan een heel hoog tempo op zonder al te veel rustpunten in te lassen, wat voor sommige kijkers wel enigszins vermoeiend zou kunnen worden. Ook is John Williams' soundtrack heel erg tof en zet hij de sfeer perfect neer (het doet vooral denken aan Catch Me If You Can), maar valt het ontbreken van een themanummer op. Zeker met het oog op de reeds aangekondigde opvolgers had een themanummer (zoals dat bescheiden meesterwerkje van de geanimeerde serie) de serie net dat beetje iconischer kunnen maken. Maar het is spijkers op laag water zoeken: uiteindelijk is The Adventures of Tintin: The Secret of the Unicorn alles wat je er van had mogen durven verwachten. Spectaculair, mysterieus, grappig en vooral heel erg plezant. Hergé zou trots geweest zijn.
Misschien wel de belangrijkste vraag die je bij een Kuifje-film moet stellen is of dit een waardige adaptatie is. Of je nu zelf ergens doorheen de jaren een fan geworden bent van de strips en/of tekenfilms (om mijn mening te plaatsen: ik ben een fan) of niet: er zijn maar weinig franchises die - in Europa alleszins - zo'n belangrijk onderdeel van de cultuur uitmaken. Volwassener en serieuzer dan Suske & Wiske, Jommeke of Nero, maar niet zo ontoegankelijk als die gevallen waar de serieuzere stripverzamelaars zich mee bezighouden. Kuifje spreekt elke leeftijdsgroep aan, en dat is toch een flinke verdienste. Kuifje is Nationaal erfgoed, en dient tussen onze vettige frieten, hoogstaand bier en politieke holbewonerij geplaatst te worden.
En het moet gezegd dat de adaptatie naar het witte doek zeer accuraat gedaan is, in hoeverre mogelijk. Dit is namelijk generatie Y waar we over spreken: waar Kuifje vroeger volledig bestond uit avontuur en intrige, is dat niet iets waar de ADD-doelgroep van tegenwoordig zich anderhalf uur mee kan bezighouden. De nadruk bij deze Tintin ligt dus vooral op grote actie set-pieces die in het originele werk nauwelijks terug te vinden zijn. Ter illustratie; in het origineel komt Kuifje aan de centrale Macguffins op een behoorlijke simpele manier: hij neemt er één van de slechteriken en krijgt de andere simpelweg van Jansen & Janssen. In de verfilming wordt dat lichtjes ander geïnterpreteerd, en krijgen we een gigantische actiescène doorheen Marokko waar de voorwerpen steeds van eigenaar veranderen. Dat is een soort modernisatie die noodzakelijk was, en een die volledig binnen de geest van het originele werk past.Uiteindelijk is het gevoel voor avontuur, humor en de luchtigheid nog steeds intact, maar er werden grote, leuke en bijzonder spitsvondige actiescènes toegevoegd. Doet dat geen belletje rinkelen?

In principe is deze adaptatie een Indiana Jones film, weliswaar met andere personages en met andere details, maar de grote lijnen zijn hetzelfde. En als fan van beide franchisen vind ik dat ongeveer het beste wat had kunnen gebeuren. Raiders of the Lost Ark is immers nog altijd één van de beste genrefilms ooit gemaakt en simpelweg het soort film dat Spielberg het best doet. Spielberg heeft zich door de jaren meester gemaakt van flink wat genres, maar uiteindelijk blijft dit het genre waar de naam synoniem aan staat. Kuifje die een schurk wil neerslaan met een fles whisky, terwijl Haddock de fles nog net op tijd weet te redden. Jansen die zijn portefeuille van een kleptomaan beschermt door deze met een elastiek vast te binden, waardoor hij de portefeuille terug in zijn gezicht krijgt geworpen. Haddock die een raketwerper richt op vijanden, maar het wapen per ongeluk omgekeerd vasthield. Het zijn kleine dingen, maar de opeenstapeling is zo immens dat het de film een enorme drive én plezier meegeeft. Spielberg is nog steeds de meester van het gebruik van oorzaak-gevolg in actiescènes, en hij gebruikt het hier als in zijn glorieperiode. Waar het fenomeen in Indiana Jones and the Kingdom of the Crystal Skull al eens durfde te verwateren in flauwe en kinderachtige scènes, is dat in Kuifje hoegenaamd niet het geval. Gedurende een vijftal minuten lijkt het die richting uit te gaan (Haddock die in een benzinetank boert en een slapstick-moment à la Tom & Jerry), maar daarna is elk moment precies juist. Je waant je in de jaren '80, en Spielberg amuseert zich duidelijk te pletter.

Dat is aan meerdere zaken te zien: of het nu de ingenieuze overgangen zijn tussen het heden en Haddock's vertelde verhaal, de toffe hommage waarmee de film gestart wordt of de manier waarop hij spelend naar zijn eigen Jaws refereert. Het is de eerste keer dat Spielberg een animatiefilm doet, en daarmee ook de eerste keer dat hij niet beperkt wordt door bepaalde wetten van de realiteit, en Spielberg heeft zichtbaar plezier in het aftasten van de nieuwe grenzen. Pronkstuk van deze vrijheid is de eerdergenoemde actiesequens doorheen Marokko. Het duurt minuten lang, personages verschijnen en verdwijnen weer van links naar rechts, de omgeving wordt verwoest, andere personages vliegen aan hoge snelheid voorbij, eerst heeft X het voorwerp, daarna vliegt het een eind weg waar het in de schoot van Y belandt, enzoverder enzoverder. En dat allemaal zonder ook maar één enkele cut. Het is met voorsprong de beste actiescène die in jaren voorbij is gekomen en een testament voor motion capturing: de mogelijkheden zijn duidelijk gigantisch, en nu de techniek op punt staat kan er gezocht worden naar inventieve manieren om deze te gebruiken. En zoals gewoonlijk is Spielberg niet verlegen om meteen een hoge standaard te stellen.
Want technisch is The Secret of the Unicorn een pareltje. Er wordt gebruik gemaakt van dezelfde motion capturing waar Zemeckis zijn carrière tegenwoordig aan lijkt te spenderen, met één grote sprong voorwaarts: de dode ogen zijn verdwenen. Het is hét grote probleem van de technologie: van Toy Story tot The Polar Express, je kan menselijke CGI-personages moeilijk serieus nemen wanneer er geen leven achter de ogen lijkt schuil te gaan. En hoewel de blauwe kat-aliens van Avatar daar ook al weinig last van hadden, is dit de eerste film die mensenogen juist weet te brengen.

Minstens even knap: alles dat rondom de ogen zit. De designkeuze was geen simpele: om Hergé's keurig omlijnde figuren op deze manier te brengen was een gok. De texturen zijn dan wel enorm realistisch, maar personages worden gekenmerkt door cartoonesk grote neuzen en andere karikaturale trekken waardoor het toch voldoende van een tekenfilm wegheeft. Het is een unieke stijl die simpelweg perfect werkt. En de rest van de CGI is ook wonderschoon: omgevingen worden zo scherp gerenderd dat het stilaan lastig begint te worden om realiteit van CGI te onderscheiden. Het geheel zorgt voor een foto-realistische film, die toch de sfeer van een tekenfilm draagt. En dan is er nog zo'n rijkheid aan details: elk shot heeft wel iets te bieden en je kan je ogen geen moment laten rusten. Het is visueel gezien simpelweg de beste CGI-animatiefilm die ik tot op heden gezien heb (en dat is dus inclusief Avatar). Zelfs de 3D is bijna perfect geïntegreerd; het is de eerste 3D-film waar er niet één moment is waarop het gebruik van de derde dimensie stoort. Geen lelijk kijkdoos-effect waar personages uitgeknipt lijken, geen willekeurig gevoel van diepte; alles klopt gewoon. Het is nog altijd een effect dat bijzonder weinig meerwaarde biedt, maar voor de eerste keer is het ook op geen enkel moment een storende factor.
Maar uiteindelijk is dit vooral een waardige adaptatie omdat het de kern van Kuifje begrijpt. Er zijn vrij veel vrijheden met de verhalen genomen: gehele sequensen zijn erbij verzonnen, het aandeel van bepaalde personages is flink vergroot, rollen worden omgewisseld, ... Het kan puristen in het verkeerde keelschat gieten, maar uiteindelijk is dat noodzakelijk om een blockbuster uit het Kuifje-materiaal te puren. Maar het is allemaal vooral heel erg smaakvol en vol respect voor het bronmateriaal gedaan. De personages voelen gewoon correct aan: veel recensenten noemen Kuifje maar een platte protagonist, wel... dat is hij altijd geweest. Kuifje is nu eenmaal geen Indiana Jones: hij is een nobel, goed, eendimensionaal personage dat de aandacht niet teveel naar zich toe trekt. Het is lovenswaardig dat het schrijverstrio hier niet aan gesleuteld heeft: je zou vreden dat ze hem een paar minder heroïsche kenmerken mee zouden geven, of een achtergrondverhaal opdringen. Want waarom komt Kuifje toch in deze avonturen terecht? Gewoon: "hij is een reporter". Zo schreef Hergé het, zo schrijven wij het: Kuifje is Kuifje. Zo ook zijn relatie met Haddock en Bobby, de verscheidene schurken en aimabele idioten Jansen & Janssen: het is precies zoals het hoort te zijn. Dit is een perfecte adaptatie van Kuifje naar het witte doek.
Als ik dan toch naar kritiekpunten zou moeten vissen kan je wel stellen dat dit een behoorlijk drukke film geworden is. De elementen die ze in deze film wouden steken volgen elkaar aan een heel hoog tempo op zonder al te veel rustpunten in te lassen, wat voor sommige kijkers wel enigszins vermoeiend zou kunnen worden. Ook is John Williams' soundtrack heel erg tof en zet hij de sfeer perfect neer (het doet vooral denken aan Catch Me If You Can), maar valt het ontbreken van een themanummer op. Zeker met het oog op de reeds aangekondigde opvolgers had een themanummer (zoals dat bescheiden meesterwerkje van de geanimeerde serie) de serie net dat beetje iconischer kunnen maken. Maar het is spijkers op laag water zoeken: uiteindelijk is The Adventures of Tintin: The Secret of the Unicorn alles wat je er van had mogen durven verwachten. Spectaculair, mysterieus, grappig en vooral heel erg plezant. Hergé zou trots geweest zijn.
16 oktober 2011
Sleeping Beauty, hoe Emily Browning een 'serieuze actrice' wordt
Dit is zo'n film waar ik niet echt van wist wat ik moet verwachten. Allereerst zijn zowel de trailer als de hype die op het Cannes festival blijkbaar heerste compleet aan mij voorbijgegaan. Ik wist compleet niet waar deze film in de eerste plaats zelfs over gaat. Het is het debuut van een Australische schrijfster/regisseuse, het deelt zijn titel met de beroemde Disney-klassieker, heeft Emily Browning in de hoofdrol en wordt omschreven als "een erotisch drama". Wel, dat is het meest intrigerende, onvoorspelbare concept dat ik in lange tijd gelezen heb. Als de 22-jarige Emily Browning in de hoofdrol speelt zal het vast wel geen veredelde porno zijn, iets waar je het genre wel al eens van kan beschuldigen. Een simpel excuus om zoveel mogelijk tieten in één film te verwerken, met het excuus dat het 'kunst' is: dat lijkt niet mogelijk met een onervaren actrice als dit. De link met het bekende sprookje kan in een erotische zin enkel en alleen met verkrachtingen gelinkt worden, maar de poster ziet er allerminst deprimerend uit, en verkrachting verheerlijken kan op een dusdanig grote schaal niet voorkomen, natuurlijk. Op hetzelfde Cannes waar je niet eens voor de grap mag zeggen dat Hitler wel oké was denk ik niet dat je verkrachting mag verheerlijken zoals het posterdesign zou lijken te insinueren. Enfin, ik wist dus écht niet wat ik van deze film moest verwachten, en dat lijkt het perfecte recept om een huidige Belle de Jour of Eyes Wide Shut te ontdekken......en dan blijkt het dus toch veredelde porno te zijn. Zonde.
En dan komen we dus terug bij mijn initiële verwachtingen: hoe kan dit veredelde porno zijn als Emily Browning de hoofdrol speelt? Wel, laten we een blik werpen op de nog zéér korte carrière van Emily Browning.

ZACK SNYDER WAT HEB JE GEDAAN? Laat me beginnen door te zeggen dat Browning's vorige film, Sucker Punch, misbegrepen is. Ik zou zelfs zeggen onderschat, want het is echt niet zo'n debacle als de publieke opinie tegenwoordig lijkt te geloven. Maar los daarvan, en of je het er nu mee eens bent of niet, is er één ding dat je van Sucker Punch zeker niet kan zeggen, en dat is dat het de objectificatie van vrouwen verheerlijkt. Veelgehoorde kritiek nochtans. Het probleem daarin is dat veel mensen in dit geval het verschil tussen het medium en de boodschap niet inzien. Ja, Sucker Punch objectificeert vrouwen, zonder enige twijfel, maar het doet dat om het af te keuren. Net als bijvoorbeeld Platoon de gruwelijkheden van oorlog toont om een bepaald oordeel te vellen, gebruikt Snyder bepaalde middelen die uiteindelijk door het doel geheiligd worden. Als je één ding kan zeggen van Sucker Punch is het juist het exact tegenovergestelde, dat het eerder feministisch is, en het de exploitatie van vrouwen in de media juist veroordeelt. Een beetje jammer dat slechts weinigen dat ook écht inzagen.
Inclusief Emily Browning, zo blijkt, want na dé grootste anti-exploitatie film van de voorbije jaren duikt ze vervolgens op in zo'n exploitatief werk waar, als we even alle politieke correctheid achterwege laten en vanuit onzer edele delen spreken, de exploitatie juist het enige positieve punt is dat de film te bieden heeft. Want als u zich voordien al in dat kamp bevond, zal u zich na het zien van Sleeping Beauty niet meer kunnen herinneren waarom u Baby Doll's geïnsinueerde verleidelijke dansen weer precies zo moeilijk verteerbaar vond.
Wanneer Emily Browning voor het eerst - gezien bovenstaande uitleg toch wel onverwacht - halfnaakt te zien is zal het mannelijke deel van het publiek binnensmonds een klein vreugdekreetje laten. Maar wanneer de scènes waar ze haar kleren aanhoudt zeldzamer lijken te worden dan die waar ze naakt gaat gaat dat effect langzaamaan verloren. En wanneer de ratio bedekt/naakt de inhoud van de gemiddelde tieners harde schijf overstijgt is het allemaal nogal treurig. Vrouwelijk naakt hoort een mooi iets te zijn, maar hoe langer Sleeping Beauty voortduurt, hoe minder interessant het wordt. Het mag een grote misdaad genoemd worden dat je er uiteindelijk gewoonweg geen zin meer in hebt om de onbedekte Emily Browning te bekijken, en dat de saaiheid waar de hele film onder lijdt uiteindelijk ook dit aspect bedekt. Misschien dat het nog te redden was geweest als het allemaal een beetje smaakvol behandeld werd, ik zou bijvoorbeeld urenlang naar onderstaand shot kunnen kijken, zonder dat ik het moet censureren om op deze blog te kunnen posten.

Het is toch net wat anders dan een kale, oude, naakte man een al even naakte Emily Browning te zien beklimmen om haar uit te schelden terwijl hij haar gezicht lekt.
Moest Julia Leigh nu een man zijn zou dit ongetwijfeld al lang veroordeeld zijn geweest. Maar in het teken van emancipatie moeten we ook in dit geval durven stellen dat Sleeping Beauty simpelweg pornografisch is. Het is vreemd dat een film die met zo'n sterk artistiek en esthetisch gevoel gemaakt is aanvoelt alsof je het in het incognito-venster van Google Chrome zou moeten bekijken.
"Waarom ik zoveel aandacht spendeer aan de gratuite naaktheid"? Wel, eerlijk: er is niets om verder over te praten. De cinematografie is zeer knap, maar daar houdt het op: er zijn geen personages, geen motivaties, geen plot, geen verhaal, ... er is alleen het uitgangspunt van meisjes die gedrogeerd worden zodat oude mannen er allerlei gekke dingen mee kunnen uitspoken. Wie is het hoofdpersonage? Wat drijft haar tot deze zaken? Wat is de impact op haar psyche? Allerhande zaken die een interessante film hadden kunnen opleveren, maar simpelweg genegeerd worden met als gevolg een passief en inhoudsloos hoofdpersonage. Sleeping Beauty is bijgevolg oninteressant, koud, vervelend en vertelt haar publiek helemaal niets.
Ja, het wordt knap in beeld gebracht en Browning staat zo nu en dan vrij goed te acteren, maar het is allemaal een maat voor niets. Het narratief is belachelijk minimalistisch, tot op een punt waar zelfs basiszaken niet verteld worden. Dialogen zijn houterig en onrealistisch, en de emotionele inertie zorgt ervoor dat je nooit een oordeel kan vellen over het hoofdpersonage, omdat het je gewoonweg niet genoeg interesseert en je niet genoeg weet. Waarom Browning dan ook zo'n opoffering zou willen maken, is zeer vreemd. In haar eigen woorden:
I had such a visceral reaction to the script, it made me so physically uncomfortable, which I think is a good thing, when something affects you that much.
En meer is er ook niet in te vinden. Wanneer een naakt, slapend meisje (het helpt al niet dat Browning eerder 16 lijkt dan 22) misbruikt wordt is dat ongemakkelijk, maar dieper dan dat gaat het niet. Je hoort het tegenwoordig wel vaker, maar een 'serieuze actrice' hoort alle gêne en preutsheid te laten varen. En hoewel er genoeg vrouwen zijn die het tegendeel bewijzen, lijkt dat alles waar deze film - en vooral Browning's accepteren van de rol - voor staat. Daarmee is Sleeping Beauty niet zozeer interessant als film, maar eerder als het project van een naïeve actrice, die de wereld van kunst en kitsch nog niet doorgrond heeft. Een jammerlijk verhaal en een wanproduct tot gevolg. Enfin: Sleeping Beauty is dus vooral een aanrader voor de mensen die Emily Browning eens naakt willen zien, en zelfs aan hen zou ik aanraden om de film maar half te bekijken, vooraleer je het aanzicht beu wordt. Want zelfs in gratuite naaktheid telt de Jaws-regel, en is less heel veel more; jammer om vast te stellen, maar het is nu eenmaal zo.
26 september 2011
No more mutants, X-Men: First Class
De X-Men franchise is een gek iets. Wij niet-Amerikanen hebben, op enkele hardcore strip-geeks na, niet zo heel veel met de hele comic cultuur die in de VSA heerst. Wij kennen X-Men van de animated series die in de vroege '90s gedraaid werd. Het is daar waar de meeste van ons dit fenomeen leerden kennen; de personages waar we van hielden en imiteerden op de speelplaats, maar ook de verhaallijnen die over meerdere afleveringen plaatsvonden en soms behoorlijk ingenieus waren. Niet moeilijk om uit dat universum een paar degelijke films te trekken, zou je dan denken, maar dat ligt toch enigszins anders.X-Men heeft als filmfranchise nooit de middelmaat overstegen. Het origineel was een rustig voortkabbelend, richtingloos neerzetten van personages dat pas in het derde bedrijf een echte verhaallijn durfde implementeren. X² is dan wel een stabieler werk, maar er is niet echt één punt waarvoor je de film kan erkennen. In de huidige, oververzadigde markt mist X² een volledig eigen identiteit. Die realisatie kwam er echter pas toen ik deze films recent herbekeek. Zeker X² was in mijn herinneringen gewoon een vette actiefilm waar Nightcrawler op waanzinnig gechoreografeerde wijze de president aanvalt en waar Wolverine een intens gevecht aangaat met Lady Deathstrike. Vroeger was dat inderdaad zo, maar we hebben inmiddels al ongeveer elke mogelijke actiescène zien voorbijkomen in de tientallen superheldenfilms van de voorbije jaren. Het zijn scènes die nu niet meer zoveel impact hebben als vroeger: dat wil niet zeggen dat de actie niet goed geregisseerd kan zijn, maar er is gewenning opgetreden voor dit soort cinema. Het was ten tijde van de eerste films pas het begin van het huidige popcultuur-hoofdstuk, en als je dan ook nog eens jong bent word je helemaal gek van het zien van je favoriete personages in coole situaties. Maar tegenwoordig zien we elke twee weken - zeker tijdens de zomer - wel een nieuwe superheld voorbijkomen waar we ooit wel eens vaag van gehoord hebben. Dit jaar alleen al zien we naast First Class ook The Green Hornet, The Green Lantern, Thor en Captain America, terwijl de lijst met vorige jaren angstvallig lang wordt. Iron Man, Spiderman, Batman, Hellboy, Daredevil, The Spirit, Elektra, The Punisher, Ghost Rider, ... Je hoeft er niets eens naar te googlen om een waslijst aan zéér gelijkaardige films op te kunnen noemen. Dat soort films kunnen zich niet meer enkel en alleen onderscheiden door actiescènes.
Wanneer je X-Men/X² wanuit dat standpunt gaat bekijken opent zich plots een... wel, eigenlijk gewoon vrij saaie films. Vooral opmerkelijk is dat de personages - dé grote kracht van de franchise - gewoon niet goed werken. Neem nu bijvoorbeeld dé grote crowdpleaser Wolverine: hij is in de eerste film (in de tweede film krijgt hij wat meer diepte) echter gewoon die vreemde kerel met zijn klauwen die tegen Sabretooth vecht. Zijn motivaties blijven onduidelijk wanneer die er al zijn, en zijn personage bestaat eigenlijk vooral rond de liefdesdriehoek, waar Jean en Cyclops ook deel van uitmaken. Meer is deze kerel op dat moment niet: een onderdeel van een zwak uitgevoerde, niet echt centrale liefdesdriehoek. Maar zelfs ondanks dat is Wolverine één van de sterkst uitgevoerde personages. Je kan nog stellen dat Rogue een duidelijke motivatie heeft (ze is bang van haar eigen krachten), maar die valt na een half uurtje weg. Verder bestaan deze films niet uit personages, maar uit figuren. We kennen de mutanten enkel en alleen door hun fysiek voorkomen en hun specifieke krachten: dat is niet voldoende om een verhaal voort te trekken, en het is niet genoeg om als kijker mee te leven.

En ook het fysiek voorkomen is soms moeilijk juist te doen.
Typerend voor deze lege personages is Storm. Je kan misschien wel zeggen dat Halle Berry nu niet bepaald groots staat te acteren, klopt, maar ze heeft ook geen personage om mee te werken. Op basis van de films is het simpelweg onmogelijk om een karakterschets van Storm te maken. Ze heeft geen motivaties, ze heeft geen achtergrondverhaal en haar rol in de dialogen had door eender wie gespeeld kunnen worden. Storm is gewoon. Dat kon ons vroeger niet schelen omdat we Storm al kennen. Bij het aanzien van de gekleurde vrouw met het zilveren haar projecteren we alles dat we rond dit personage al kennen op Halle Berry. We moeten niet meer geïntroduceerd worden tot dit personage, en dus valt het gebrek aan diepte ons minder op. Als eufemisme wordt dan al eens gezegd dat dit 'een film voor de fans' is, maar eigenlijk mag je het gewoon een slecht scenario noemen. Het is de reden waarom veel fans niet teleurgesteld zijn en nieuwelingen binnen de serie er geen zak aan vinden. Heel simpel: voorkennis.
Denk bijvoorbeeld terug aan X-Men 3: The Last Stand, waar constant personages links en rechts worden weggeschreven. Wanneer de climax van de film dan voor de deur staat blijven eigenlijk nog maar drie personages over: Storm en Iceman (en die zijn al niet geweldig onderbouwd, maar hebben hun rol in de film), en Wolverine, die het enige volwaardige personage in het verhaal is. Om dat op te vangen worden er letterlijk pseudo-willekeurige personages uit het universum gegrepen en in de film verwerkt: Beast, Colosus en Ellen Page krijgen een minimale hoeveelheid aan karakterontwikkeling, maar staan wel centraal in de climax van de film. Nieuwe personages introduceren kost immers tijd, en hoewel het derde deel van een trilogie daar in principe geen probleem mee zou mogen hebben, moet je helaas stellen dat er geen bekende gezichten meer over zijn op dat moment. Dus wordt er gegrepen naar figuren die de fans al kennen, in de hoop dat ze de band met deze personages automatisch overnemen naar de film. Het is een nogal laffe manier van schrijven die over de hele filmfranchise teruggevonden kan worden, en laat het heel duidelijk zijn: emotionele investering moet je verdienen, en kan je onmogelijk forceren.

X-Men heeft dan uiteraard wel het geluk dat het met de bekende mutanten mag pronken. Wolverine, Jean, Cyclops, Rogue, Sabretooth, Nightcrawler, Juggernaut, Gambit, ... Mensen die net als ik met de tekenfilms zijn opgegroeid kennen deze personages. En hoewel het niet zou mogen werkt die aanpak onbewust wel een beetje. Maar nu is er First Class: Banshee, Emma Frost, Havok, Darwin, Azazel, Riptide, .. Nope, nog nooit van gehoord, enkele van deze namen moest ik nu zelfs nog opzoeken en veel van deze personages krijgen ook maar een minimum aan ontwikkeling. In principe zijn deze personages er enkel en alleen omdat de uiteindelijk 'X-Men' een groep mutanten is, en je met één personage nu eenmaal geen groep hebt. Anderzijds wil je in de climax van je film wel een paar kleine duels die zich uitspelen rond het centrale verhaal. Natuurlijk hebben die randgevechten uiteindelijk niet de impact die je zou willen, maar dat is een kwaad waar je niet omheen kan. Wanneer een goed personage het tegen een slecht personage opneemt wil je dat je publiek voor de goede juicht. En dus probeer je een paar personages neer te zetten door ze een aantal herkenbare punten mee te geven en definiëren als goed of slecht, in de hoop dat de kijker ze onthoudt. Meer kan je immers niet doen binnen een film van 2 uur. Aangezien je van slechte voorbeelden evenveel leert als van goede is Battle Los Angeles het ultieme voorbeeld van deze aanpak: "dit is Marco, heeft heeft twee kinderen, kijkt graag voetbal en zijn favoriete film is The Shawshank Redemption. Echte mensen wenen wanneer hij sterft". Maar goed, er is een reden waarom ik eerst zo ver uitweid over het cruciale kritiekpunt van de oude X-Men films.
Als je de achtergrond van de complete ondersteunende cast wil kennen ben je immers verplicht om naar TV-series en boeken te grijpen: in film moet het allemaal net wat sneller gaan en heb je niet de vrijheid om elk aspect uit te vergroten. Nu is bovenstaande schrijftechniek niet per definitie slecht. Zoals gezegd kan je op die manier op zijn minst een oppervlakkige band met het personage creëren, wat nog altijd beter is dan complete afstandelijkheid. Wat First Class echter begrijpt, waar de rest van de X-Men franchise aanzienlijk veel moeite mee heeft, is dat je deze manier van schrijven gerust kan toepassen op ondersteunende personages wanneer deze geen essentieel deel van het hoofdverhaal zijn. Je kan zo'n non-personages geen drama laten ondersteunen, je kan er geen volledig uur op focussen en je kan ze niet nadrukkelijk op de poster zetten. In First Class krijgen de meeste mutanten slechts een paar minuutjes schermtijd en zal je de meeste vooral herinneren door hun superkracht en fysieke kenmerken.
Maar dit is niet het verhaal van die groep jonge mutanten, dit is het verhaal van Professor X en Magneto. Het lijkt uniek binnen het genre, maar de hele film draait uiteindelijk rond de bromance tussen die twee. Het is zonder enige twijfel het sterkste duo dat we in een superheldenfilm al gezien hebben, vooral door James McAvoy en Michael Fassbender: deze twee heren voeren individueel beide een indrukwekkende tour de force uit. McAvoy's Professor X is een vlotte prater, met een zekere jeugdige, ondeugende charme. Hij voelt het personage goed aan, maar weet de serieux uit te balanceren met een zekere frisheid. Fassbender daarentegen zet één van de beste acteerprestaties neer die je in tijden in een blockbuster bent tegengekomen. De holocaustscène waar het origineel mee aftrapte wordt losjes overgedaan, maar er wordt flink op Magneto's verleden uitgebreid, waardoor je veel meer begrip krijgt voor het personage. En als we het dan toch over geniale acteurs hebben: Kevin Bacon mag nog eens een slechterik spelen, en zoals gewoonlijk is het weer non-stop genieten. Ik denk niet dat er nog veel acteurs zijn die zoveel plezier in lelijke personages kunnen steken als Bacon. Hoewel zijn Sebastian Shaw nu ook niet de grootste smeerlap ooit is, is het vooral genieten hoe hij als Nazidokter van het scherm spat. Wunderbar. Niemand speelt een slechterik als Kevin Bacon, en ik ben dolblij dat hij terug lijkt te zijn.

Afgebeeld: de meest haatbare schurk aller tijden.
Hét grote verschil is echter simpel. X-Men draait rond het neerzetten van het universum. X² draait rond het gewicht geven aan enkele personages, en dan vooral Wolverine. X-Men: The Last Stand draait rond aantonen hoe je een film niet moet schrijven. X-Men Origins: Wolverine draait rond het vergeten dat die film ooit bestond. Nu is er First Class, en weet je wat hier centraal staat? Fun. Het plezier hebben met deze personages, in deze wereld. Eén van de leukste scènes bijvoorbeeld is een montage waar Fassbender en McAvoy mutanten gaan rekruteren. De twee zijn op elkaar ingespeeld alsof ze Tango & Cash zijn, er wordt een vrolijk muziekje onder geplaatst en de hele montage bestaat uit frisse, ludieke momenten waar je met een glimlach naar kijkt. Het is plezierig, en dat is iets wat je tegenwoordig niet vaak meer tegenkomt. Elke superheldenfilm probeert immers een Dark Knight te zijn: zwaar, donker en bloedserieus, waar geen plaats is voor grapjes. Ergens onderweg zijn we vergeten dat stripboeken en superhelden in essentie B-cinema is, en dat het publiek voor deze films zich gewoon goed wil amuseren. First Class weet dit over te brengen zonder een te slappe film te worden waarin spanning ontbreekt, waarvoor hulde. Het tempo ligt daardoor vrij hoog en eerlijk, de film kent meer dan genoeg problemen die je kan uitwijzen, maar je vergeeft het omdat, binnen het grotere geheel, ze eigenlijk niet uitmaken. Het is allemaal gewoon zo ontzettend leuk, en dat is een hele goede evolutie.
Eén van de domste ideeën in de geschiedenis van de cinema is het contract dat Marvel voor Fox heeft opgesteld. X-Men is één van de grootste Marvel-franchises, en dus willen ze niet dat de rechten stof gaan liggen verzamelen bij een productiemaatschappij die er niets mee doet. Dat is volkomen logisch. Hoe Marvel dit heeft opgelost is echter door een clausule te integreren binnen het contract die ervoor zorgt dat Fox om de X-aantal jaar (ik gok een stuk of drie à vier) een X-Men gerelateerde film moet uitbrengen. Gebeurt dat niet, dan krijgt Marvel de rechten gewoon terug. Het gevolg daarvan is niet alleen rotzooi als X-Men Origins: Wolverine, maar ook marketing-teams die het een goed idee vinden om Xaviers gezicht op zijn kruis te plakken, en First Class dat inmiddels alweer 'het eerste deel van een trilogie' genoemd wordt.
En trilogieën is een term die Hollywood niet meer begrijpt. Over Transformers 4 werd laatst bijvoorbeeld geschreven dat het de start van een nieuwe trilogie zou worden. Pardon, een nieuwe trilogie? Sinds wanneer vormen de Transformers-films als een trilogie gezien? Is het omdat Shia LaBoeuf in alle drie de films zit? Omdat Megatron de hoofdschurk is? Een trilogie hoort in principe als drie aktes binnen één verhaal te werken. Het is de klassieke formule waar één groot verhaal over een periode van drie films verteld wordt, die sinds Star Wars de standaard is geworden. Lord of the Rings is een trilogie. Nolan's Batman-films zullen binnenkort een trilogie zijn. Maar is Robocop een trilogie omdat het toevallig twee sequels heeft? Is Predator een trilogie omdat er recent nog op uitgebreid werd? Is Flodder een trilogie? Is Twilight nu nog twee maanden een trilogie, maar daarna niet meer? Er is een grote kans dat andere mensen er een andere mening op nahouden, maar naar mijn gevoel horen de elementen van een trilogie verbonden te zijn (narratief of thematisch), en is het niet zo simpel als drie films meteen tot trilogie te bestempelen.

Denk hier goed over na.
Nu is First Class dus ook een trilogie in wording, en dat is om een beetje bang van te worden. Wanneer de Magneto en Professor X die we van de serie kennen uiteindelijk gevormd worden is dit verhaal immers afgelopen. Een trilogie zou op zich geen slecht idee zijn: in First Class gebeurt alles vrij snel, logisch ook. Binnen twee uur tijd moeten de personages geïntroduceerd worden, moeten we hun tegenstrijdige beschouwingen leren kennen, wordt de basis van de X-Men gelegd en moeten er wat actiescènes tussen geplaatst worden. Het is veel om binnen twee uur tijd te realiseren.
Nu is het vrijwel duidelijk dat dit trilogie-idee pas achteraf bedacht werd. Het kan bijna niet anders of de komende sequels zullen hetzelfde stramien volgen als de originele "trilogie". Oftewel: losstaande verhalen die onderling geen verband kennen. Het is jammer, want ik had makkelijk drie films lang naar McAvoy en Fassbender kunnen kijken zonder dat ze al meteen elkaars rivalen moeten zijn. Het zou het uiteindelijke conflict ook alleen maar sterker maken. Maar nu zit je met het origins-verhaal dat compleet uitgelegd wordt, en twee sequels die daar waarschijnlijk nog wel wat verder op voort zullen borduren. Vergelijk het met Anakin die aan het einde van The Phantom Menace al in Darth Vader zou veranderen: wat ga je met de volgende twee films dan doen? .......oh God. Alarmfase 5! Code rood! Ik heb de Star Wars prequel-trilogie gebruikt als een voorbeeld hoe het wel moet!
Maar First Class is dus een goede film, die makkelijk een heel goede trilogie had kunnen zijn. Nu is het een goede film, waar de trilogie potentieel dramatisch kan zijn. Aan de ene kant is het pijnlijk dat Fox deze franchise zo respectloos behandelt, anderzijds hebben Matthew Vaugn en de zijne (en dan vooral het trio Fassbender, McAvoy en Bacon) misschien wel de leukste superheldenfilm gemaakt sinds... Adam West's Batman? Lou Ferrigno's Hulks? Het is in ieder geval een goed teken, en hopelijk wordt dit de nieuwe trend die de enorme serieusheid van blockbusters doorprikt.
7 september 2011
Princess Mononoke (1997)
We zijn er, dames en heren. U weet zelf ook wel dat wanneer ik de tijd neem om de complete filmografie van een regisseur te overlopen, dat dat uiteindelijk moet samenkomen in één allesbepalend meesterwerk. Een film zo goed, die me zo nauw aan het hart ligt en ik met enig gemak tot één van mijn favoriete films aller tijden durf bestempelen. Neen, u zult hieronder geen slecht woord lezen over Princess Mononoke, wat nog altijd de beste animé is die ik ooit gezien heb.De reden daarvoor is vrij simpel; Princess Mononoke doet op zich niets nieuws. Het geeft zeker geen blijk van dezelfde eigenwijsheid die in My Neighbour Totoro nog te bewonderen was, en elitaire animé-aanhangers zullen misschien wel opperen dat de film voorbijgestreven wordt door unieke werken als Akira of Grave of the Fireflies. En toegegeven, Princess Mononoke is niet de Citizen Kane der animatiefilms: het is "slechts" een fantasy-verhaal dat nooit echt afwijkt van de regels van de epiek. Maar wat het doet, doet het zo ontzettend goed dat dat geen verwijt is, helemaal niet. Princess Mononoke is één van de meest perfecte, foutloze invullingen van een genre dat zo frequent misbruikt wordt dat zelfs het Vaticaan er van onder de indruk zou zijn.
Ik heb het over fantasy, een genre waar tegenwoordig ironisch genoeg even veel fantasie bij komt kijken als het schrijven van de gemiddelde Limp Bizkit-rap. Fantasie impliceert immers een zekere verbeeldingskracht, hersenen die zich dusdanig kronkelen dat er effectief nieuwe concepten bedacht worden. Of dat nu grote verhaallijnen zijn, de invulling van een fictieve wereld, of zelfs maar onverwachte dialogen. Fantasie is interessant omdat het onverwacht is, het is per definitie iets nieuws dat we nog niet gezien hebben omdat het voor de huidige incarnatie nog niet bestond. Fantasy, als genre, is dat hoegenaamd niet. Als je tegenwoordig al het geluk hebt om creatieve fantasy voorgeschoteld te krijgen zie je eens eekhoorn met een snor en bolhoed, of een dikke hond die op een stofzuiger rondvliegt en vuurballen opkotst: dat soort makkelijke combinaties is nu eenmaal tot wat het genre nu gereduceerd is.
Maar qua verhaalstructuren zit het ontzettend stevig vastgeroest in zijn comfortzone van alles dat al eerder geprobeerd en goedgekeurd is. Je gooit een aantal personages van verschillende rassen bijeen, geeft ze een einddoel en vult dan zoveel mogelijk pagina's of scènes die in feite nergens over gaan. Het plot van een overgrote meerderheid aan fantasy valt in feite te vertellen binnen twee zinnen. Neem nu bijvoorbeeld de Lord of the Rings franchise: in de ultieme versie zitten ze inmiddels al aan een speelduur van anderhalve week gok ik zo, maar uiteindelijk gaat die film enkel en alleen over een groep wezens die naar Mordor lopen om een ring in een vulkaan te gooien. De rest van het verhaal is subplot, verhalen die los staan van de essentie van het plot (in het beste geval proberen ze tenminste het allemaal wat in elkaar te weven) en geen enkel gewicht hebben binnen het belang van het hoofdverhaal. Die films hadden even goed op een uur tijd verteld kunnen worden, want alles dat je ervoor zou moeten schrappen zijn simpelweg rand- of achtergrondverhalen. Maar andere fictieve series als Planet of the Apes, Star Wars, Terminator, The Matrix, ... zijn nooit zo kort samen te vatten (in het geval van The Matrix vraag ik me af of dat überhaupt in het lang zelfs mogelijk is) zonder relevante zaken te schrappen. Daarom zijn de Lord of the Rings films natuurlijk niet slecht, er valt op technisch en esthetisch vlak genoeg te bewonderen daarvoor, maar er zit veel meer vet aan dan verhalen die zich op de kern fixeren. Het is een gegeven waar zoveel fantasy mee kampt, van The Wheel of Time tot Discworld.
Ongetwijfeld is dit het geval om een gevoel van grootsheid aan een queeste mee te geven. Veel verhalen moeten een zekere epische snaar raken, omdat het draait rond de strijd tussen goed en kwaad, tussen twee werelden. Je moet weten wat er op het spel staat, wat er getroffen wordt, en de makkelijkste manier om dat voor elkaar te krijgen is door af te wijken van je narratieve aorta. Je moet de sympathieke dorpelingen tonen die niets met het verhaal te maken hebben, een aantal veldslagen tussendoor om een gevoel van gevaar mee te geven, verschillende culturen om de lengte van de trektocht weer te geven, etc. etc. Het is de manipulatieve manier waarop fantasy al decennia lang geschreven wordt. En dat brengt ons eindelijk tot bij Princess Mononoke.
Mononoke krijgt het namelijk voor elkaar om één van de typische fantasy-verhalen te nemen en het te brengen op een veel sterkere manier, zonder de grootsheid te verliezen die hoegenaamd bij het genre hoort. Voor een groot deel valt dit toe te kennen aan hoofdpersonage Ashitaka. In de openingsscène doodt deze jongen een op hol geslagen God (Goden leven in Mononoke in onze wereld, in de vorm van gigantische dieren). Ashitaka moest wel, aangezien het beest op punt stond om zijn dorp te verwoesten. Een nobele daad, waardoor hij een vloek over zich krijgt uitgesproken; hoewel deze vloek hem een enorme kracht geeft, zal hij er uiteindelijk aan sterven. En dus reist Ashitaka naar het Westen, op zoek naar een oplossing.
Dit is niet het verhaal van Princess Mononoke, maar de arc van Ashitaka als personage. En dat is een wereld van verschil. Om nogmaals de vergelijking met Lord of the Rings te maken: in dat verhaal zien we het exact omgekeerde gebeuren. Het verhaal dat de hoofdpersonages aangaat staat centraal binnen de film, logisch ook, aangezien het in wezen de strijd tegen het grote kwaad is. Een ander verhaal kan daar niet boven staan, omdat de scope al tot het maximale uitgerokken is. Frodo en zijn bende tegen Sauron en zijn leger: het is alles of niets, de strijd die het lot van de hele wereld beslist. Wanneer de speelduur dus gerekt wordt met een oorlog tussen twee volkeren voelt dat aan als een minderwaardige gebeurtenis. Het is alsof The Godfather onderbroken zou worden om even op een tasjesdief te focussen. Het is een hiërarchie van prioriteit: je moet de gebeurtenis die met 'code rood' gemarkeerd wordt niet onderbreken voor iets dat hier compleet ondergeschikt aan is. In Lord of the Rings heeft men dat nog wel enigszins opgelost door de twee verhalen compleet te splitsen, maar tijdens de epischere strijdscènes moet je vooral niet aan de andere verhaaltak denken, die veel belangrijker is voor het verhaal.
![]()
Princess Mononoke doet dit juist omgekeerd. Wat begint als een queeste voor Ashitaka's gezondheid mondt uit in een oorlog die aan twee fronten wordt gestreden. Het is de logische gang van zaken: je leert steeds meer over het grote conflict tot de oorspronkelijke verhaallijn uiteindelijk van maar weinig belang is. Ashitaka is ons hoofdpersonage en we willen dat hij het overleeft, maar het lot van alle personages die we binnen de wereld ontmoet hebben is natuurlijk net wat belangrijker. Dat is hoe je een groots verhaal hoort te vertellen: klein beginnen en steeds verder uitbreiden, niet tegen volle snelheid starten en af en toe eens op de kleinere zaak concentreren. De climax bij Princess Mononoke voelt dan ook echt gigantisch aan: het verhaal van een boerenjongen dat op een logische manier uitgroeit naar een strijd tussen de mensheid en een Goddelijk wezen. Het vloeit allemaal natuurlijk in elkaar over, waar Lord of the Rings (de laatste keer dat ik die vergelijking maak, ik beloof het) veel artificiëler is.
Het is ook een behoorlijk groot voordeel dat Princess Mononoke een animatiefilm is. Denk bijvoorbeeld aan de Harry Potters: hoeveel van de wereld ze ook effectief kunnen creëren, sommige zaken zijn gewoon niet mogelijk binnen de grenzen van de realiteit. En dan komt er CGI bij te pas. En het probleem met CGI is dat het nooit, maar dan ook echt nooit, helemaal vlekkeloos zal werken. Hoe levensecht de apen in Rise of the Planet of the Apes er ook uitzien, je onderbewustzijn zal je er altijd attent op maken dat dit niet mogelijk is binnen de wetten van de werkelijkheid. Wanneer er verzonnen wezens - een cruciaal element van fantasy - bij komen te kijken is het net hetzelfde. Die trol in Harry Potter mag er dan nog zo scherp uitzien, maar aangezien we geen referentiekader hebben worden we er meteen aan herinnerd dat dit een verzonnen wezen in een film is. Daarom dat CGI voor dit soort zaken nooit een volwaardige oplossing zal kunnen blijken. CGI is boven alles immers slechts een poging om de vrijheid van een animatiefilm binnen live-action cinema te smokkelen.
Bij animatiefilms als Princess Mononoke is het veel makkelijker om zo'n wereld in je op te nemen. Je bent immers onbewust constant bezig met het interpreteren van vreemde objecten, dus als daar eens vreemde kleine mannetjes tussen zitten is dat niet zozeer een stijlbreuk. Het is gewoon logisch dat geanimeerde elementen beter te implementeren zijn wanneer het volledige scherm geanimeerd is. Het fantasy genre is immers geboren voor animatiefilms, maar wordt daarin eigenlijk grotendeels beperkt door de kindvriendelijkheid die bedrijven als Disney erin gebracht hebben. Mononoke maakt echter geen compromissen: ledematen worden losgerukt, er wordt al eens iemand onthoofd, zwijnen zien er degoutant uit en de nochtans sympathieke wolven lijken Ashitaka elk moment te kunnen verscheuren. Dit alles wordt weergegeven in een vloeiende, haarscherpe animatie die elke Miyazaki na deze zou kenmerken en een duidelijke verbetering is op het oude werk, wat ook al niet mis was.
![]()
Princess Mononoke is met 134 minuten de op één na langste animatiefilm aller tijden, en dat is een wijze beslissing geweest. Dit is een grote film met flink wat plot en personages; natuurlijk kon dat ook op anderhalf uur verteld worden, maar Miyazaki neemt zijn tijd om alles aan zijn eigen tempo te laten verlopen. Het gevolg zijn enkele van de sterkste personages uit Miyazaki's oeuvre, met enig gemak de sterkste romance sinds Laputa en een spanningsboog die na drie rustige films weer terug goed gespannen staat. En dan zijn er nog enkele zaken die we inmiddels al gewend zijn: personages zijn meer dan ooit compleet genuanceerd (het is niet moeilijk om enige sympathie voor de 'slechterik' te voelen) en er straalt weer een overduidelijke liefde voor de natuur uit elke porie van deze film. Ergens is het vreemd: het is Miyazaki's meest ambitieuze project, een waar hij 16 jaar aan geschreven heeft, maar waar het uiteindelijke storyboard slechts maanden voor de release afgewerkt werd. Het zou allemaal eigenlijk niet zo mooi in elkaar mogen klikken, maar toch voelt dit - misschien wel meer dan eender welke van Miyazaki's films - aan als één groot geheel waarvan elk aspect klopt. Een flinke portie geluk, of toch de definiëring van het genie?
Natuurlijk zijn er ook wel eens momenten waarom we Ashitaka zien rondreizen, een indrukwekkend achtergrond, de muziek die flink aanzwelt, ... maar waar dat soort scènes in de moderne filmcultuur een film 'episch' moet maken, is dat in Princess Mononoke slechts een surplus. De echte grootsheid zit in het verhaal en de vakkundigheid waarmee het verteld wordt. En dat is eigenlijk heel wat zeldzamer dan je zou verwachten. Maar weinig films kunnen fantasy zo natuurlijk overbrengen als Princess Mononoke én gebruiken de animatiefilm als medium om vreemde aspecten probleemloos te integreren. Ik zou het quasi perfect durven noemen: ongetwijfeld kan Princess Mononoke makkelijk voorbijgestreefd worden door een genrefilm met een nog ingenieuzer verhaal, of nog sterkere personages. Maar het punt is dat elke film die beter wil zijn, dat alleen kan behalen door verder te bouwen op de fundamenten van deze film, en niet door zaken aan te passen. En daarmee is Princess Mononoke misschien wel de basis van goede fantasy geworden. Een film die als waardemeter dient voor het genre. En veel films waar je dat over kan zeggen zijn er de voorbije decennia niet gemaakt.

Dit is niet het verhaal van Princess Mononoke, maar de arc van Ashitaka als personage. En dat is een wereld van verschil. Om nogmaals de vergelijking met Lord of the Rings te maken: in dat verhaal zien we het exact omgekeerde gebeuren. Het verhaal dat de hoofdpersonages aangaat staat centraal binnen de film, logisch ook, aangezien het in wezen de strijd tegen het grote kwaad is. Een ander verhaal kan daar niet boven staan, omdat de scope al tot het maximale uitgerokken is. Frodo en zijn bende tegen Sauron en zijn leger: het is alles of niets, de strijd die het lot van de hele wereld beslist. Wanneer de speelduur dus gerekt wordt met een oorlog tussen twee volkeren voelt dat aan als een minderwaardige gebeurtenis. Het is alsof The Godfather onderbroken zou worden om even op een tasjesdief te focussen. Het is een hiërarchie van prioriteit: je moet de gebeurtenis die met 'code rood' gemarkeerd wordt niet onderbreken voor iets dat hier compleet ondergeschikt aan is. In Lord of the Rings heeft men dat nog wel enigszins opgelost door de twee verhalen compleet te splitsen, maar tijdens de epischere strijdscènes moet je vooral niet aan de andere verhaaltak denken, die veel belangrijker is voor het verhaal.
Princess Mononoke doet dit juist omgekeerd. Wat begint als een queeste voor Ashitaka's gezondheid mondt uit in een oorlog die aan twee fronten wordt gestreden. Het is de logische gang van zaken: je leert steeds meer over het grote conflict tot de oorspronkelijke verhaallijn uiteindelijk van maar weinig belang is. Ashitaka is ons hoofdpersonage en we willen dat hij het overleeft, maar het lot van alle personages die we binnen de wereld ontmoet hebben is natuurlijk net wat belangrijker. Dat is hoe je een groots verhaal hoort te vertellen: klein beginnen en steeds verder uitbreiden, niet tegen volle snelheid starten en af en toe eens op de kleinere zaak concentreren. De climax bij Princess Mononoke voelt dan ook echt gigantisch aan: het verhaal van een boerenjongen dat op een logische manier uitgroeit naar een strijd tussen de mensheid en een Goddelijk wezen. Het vloeit allemaal natuurlijk in elkaar over, waar Lord of the Rings (de laatste keer dat ik die vergelijking maak, ik beloof het) veel artificiëler is.
Het is ook een behoorlijk groot voordeel dat Princess Mononoke een animatiefilm is. Denk bijvoorbeeld aan de Harry Potters: hoeveel van de wereld ze ook effectief kunnen creëren, sommige zaken zijn gewoon niet mogelijk binnen de grenzen van de realiteit. En dan komt er CGI bij te pas. En het probleem met CGI is dat het nooit, maar dan ook echt nooit, helemaal vlekkeloos zal werken. Hoe levensecht de apen in Rise of the Planet of the Apes er ook uitzien, je onderbewustzijn zal je er altijd attent op maken dat dit niet mogelijk is binnen de wetten van de werkelijkheid. Wanneer er verzonnen wezens - een cruciaal element van fantasy - bij komen te kijken is het net hetzelfde. Die trol in Harry Potter mag er dan nog zo scherp uitzien, maar aangezien we geen referentiekader hebben worden we er meteen aan herinnerd dat dit een verzonnen wezen in een film is. Daarom dat CGI voor dit soort zaken nooit een volwaardige oplossing zal kunnen blijken. CGI is boven alles immers slechts een poging om de vrijheid van een animatiefilm binnen live-action cinema te smokkelen.
Bij animatiefilms als Princess Mononoke is het veel makkelijker om zo'n wereld in je op te nemen. Je bent immers onbewust constant bezig met het interpreteren van vreemde objecten, dus als daar eens vreemde kleine mannetjes tussen zitten is dat niet zozeer een stijlbreuk. Het is gewoon logisch dat geanimeerde elementen beter te implementeren zijn wanneer het volledige scherm geanimeerd is. Het fantasy genre is immers geboren voor animatiefilms, maar wordt daarin eigenlijk grotendeels beperkt door de kindvriendelijkheid die bedrijven als Disney erin gebracht hebben. Mononoke maakt echter geen compromissen: ledematen worden losgerukt, er wordt al eens iemand onthoofd, zwijnen zien er degoutant uit en de nochtans sympathieke wolven lijken Ashitaka elk moment te kunnen verscheuren. Dit alles wordt weergegeven in een vloeiende, haarscherpe animatie die elke Miyazaki na deze zou kenmerken en een duidelijke verbetering is op het oude werk, wat ook al niet mis was.
Princess Mononoke is met 134 minuten de op één na langste animatiefilm aller tijden, en dat is een wijze beslissing geweest. Dit is een grote film met flink wat plot en personages; natuurlijk kon dat ook op anderhalf uur verteld worden, maar Miyazaki neemt zijn tijd om alles aan zijn eigen tempo te laten verlopen. Het gevolg zijn enkele van de sterkste personages uit Miyazaki's oeuvre, met enig gemak de sterkste romance sinds Laputa en een spanningsboog die na drie rustige films weer terug goed gespannen staat. En dan zijn er nog enkele zaken die we inmiddels al gewend zijn: personages zijn meer dan ooit compleet genuanceerd (het is niet moeilijk om enige sympathie voor de 'slechterik' te voelen) en er straalt weer een overduidelijke liefde voor de natuur uit elke porie van deze film. Ergens is het vreemd: het is Miyazaki's meest ambitieuze project, een waar hij 16 jaar aan geschreven heeft, maar waar het uiteindelijke storyboard slechts maanden voor de release afgewerkt werd. Het zou allemaal eigenlijk niet zo mooi in elkaar mogen klikken, maar toch voelt dit - misschien wel meer dan eender welke van Miyazaki's films - aan als één groot geheel waarvan elk aspect klopt. Een flinke portie geluk, of toch de definiëring van het genie?
Natuurlijk zijn er ook wel eens momenten waarom we Ashitaka zien rondreizen, een indrukwekkend achtergrond, de muziek die flink aanzwelt, ... maar waar dat soort scènes in de moderne filmcultuur een film 'episch' moet maken, is dat in Princess Mononoke slechts een surplus. De echte grootsheid zit in het verhaal en de vakkundigheid waarmee het verteld wordt. En dat is eigenlijk heel wat zeldzamer dan je zou verwachten. Maar weinig films kunnen fantasy zo natuurlijk overbrengen als Princess Mononoke én gebruiken de animatiefilm als medium om vreemde aspecten probleemloos te integreren. Ik zou het quasi perfect durven noemen: ongetwijfeld kan Princess Mononoke makkelijk voorbijgestreefd worden door een genrefilm met een nog ingenieuzer verhaal, of nog sterkere personages. Maar het punt is dat elke film die beter wil zijn, dat alleen kan behalen door verder te bouwen op de fundamenten van deze film, en niet door zaken aan te passen. En daarmee is Princess Mononoke misschien wel de basis van goede fantasy geworden. Een film die als waardemeter dient voor het genre. En veel films waar je dat over kan zeggen zijn er de voorbije decennia niet gemaakt.

26 augustus 2011
Porco Rosso (1992)
Dit is, om meerdere redenen, een belangrijke film in de carrière van Miyazaki. Voor het eerst sinds Laputa zet hij zijn liefde voor de luchtvaart nog eens centraal in een film neer (wat hij sindsdien overigens niet meer gedaan heeft). Het is de laatste film (na eerder Totoro en Kiki's Delivery Service) die gekenmerkt wordt door een dun plot dat ondergeschikt is aan het verhaal. Het is de eerste film die duidelijk binnen onze geschiedenis geplaatst wordt (Italië, na de eerste Wereldoorlog). Het is de eerste Miyazaki die duidelijk gelinkt kan worden aan een welgekend sprookje (De Kikkerprins, later zou Miyazaki ook nog een eigen interpretatie aan Alice in Wonderland en De Kleine Zeemeermin geven). Porco Rosso is het begin en het einde van vele belangrijke stromingen binnen Miyazaki's oeuvre. En toch is dit één van zijn werken die schandelijk over het hoofd gezien wordt.De film vertelt het verhaal van Porco, een Italiaanse piloot. Tijdens de eerste Wereldoorlog vloog hij nog voor de Italiaanse luchtmacht, nu leeft hij als premiejager die zijn klanten bescherming biedt tegen luchtpiraten. We zien Porco's ambigue liefdesverhouding met restaurant-uitbaatster Gina, zijn vriendschap met vliegtuig-ingenieur Fio en zijn rivaliteit met de Amerikaan Curtis. Het vreemde aan dit verhaal is echter dat Porco ergens doorheen de jaren veranderd is in een varken, en niemand zich daar echt druk in lijkt te maken. We zien dat natuurlijk wel vaker bij Italiaanse mannen, maar toch... (ik ga mezelf het voordeel van de twijfel gunnen en zeggen dat die opmerking volledig stereotyperend, maar absoluut niet beledigend is).
We krijgen geen duidelijke uitleg waarom dit het geval is. Het is niet zo dat er een boosaardige heks is die een toverspreuk heeft uitgesproken over Porco, de film biedt ons simpelweg geen simpele uitleg. Miyazaki lijkt zelfs zijn best te doen om dit met alle mogelijke luchtigheid te benaderen en de kwestie niet rechtstreeks aan te pakken: er zijn een paar kleine opmerkingen en woordspelingen, maar algemeen gezien is Porco's varkenssnuit constant de olifant in de kamer.

En dat is zonder meer het sterkste aspect van deze film. Porco is een interessant hoofdpersonage, een uniek figuur in vergelijking met Miyazaki's gebruikelijke voorkeur voor jonge meisjes en hun extreme positivisme. Porco daarentegen is flink verbitterd; hij heeft het fascisme zien opkomen in Italië, heeft zijn grote liefde opgegeven voor zijn land en in ruil zag hij zijn kameraden neergeschoten worden in de oorlog. Porco gaat gebukt onder overlevingsschuld, misantropie en spijt; dit is een somber, levensmoe personage. Of zoals hij het zelf zegt: "I felt like He was telling me just to keep on flying alone forever". En als je zo enorm depressief in een animatiefilm rondloopt kan de regisseur er al eens voor kiezen om je als een varken neer te zetten. Het klinkt eigenlijk zo gek nog niet.
Maar in al zijn simpliciteit is deze aanpak weinig minder dan geniaal. Vergelijk het bijvoorbeeld met Belle en het Beest: hoe geweldig ik die film ook vind (naar mijn gevoel de op één na beste Disney-animatiefilm) voelt het allemaal heel erg plat aan in vergelijking met Porco Rosso. Het Beest is gemeen tegen een heks, dus wordt hij aan de buitenkant even lelijk als aan de binnenkant. Dat is allemaal behoorlijk oppervlakkig, niet onlogisch ook aangezien het voor kinderen gemaakt is. Kinderen leren op die manier begrijpen dat ze vriendelijk moeten zijn en dat echte schoonheid van binnen zit. In Porco Rosso zien we echter hoe onze protagonist eerst een normaal, viriel manschap was. Wanneer hij echter zijn volledige divisie aan flarden zag geschoten worden veranderde er iets in hem, en veranderde hij in het varken dat we zien. Met behulp van één scène toont Porco Rosso ons de deconstructie van het cynisme als levensbeschouwing, de isolatie van een depressie, het omgaan met dood. Met één flashback van ochgod een paar minuten! Moest u mij om één enkele scène uit Miyazaki's oeuvre vragen die zijn genialiteit definieert: bij deze.
Maar die zwartgalligheid van het hoofdpersonage wordt wederom verpakt in een frisse, amusante, luchtige film, of wat had u gedacht. Qua stijl doet de film heel sterk denken aan Kiki's Delivery Service: er is humor, er is drama, er is avontuur, er is actie. De film wordt bijeengehouden door een dun plot, maar het is vooral de invulling daarvan die de film bepaalt. Maar daarnaast kent de film - als enige binnen Miyazaki's Ghibli-catalogus - vooral een treffende gelijkenis met The Castle of Cagliostro. Porco Rosso baadt in eenzelfde heerlijke sfeer als Miyazaki's debuut, waardoor de film een veel avontuurlijker en losser karakter heeft dan we inmiddels van hem gewend zijn. Het doet eigenlijk vooral denken aan die Kuifje-tekenfilms die vroeger op Ketnet te zien waren, al heeft de Europese locatie daar misschien ook wel mee te maken. De muziek is swingend, de personages scherp geschreven ("I'd rather be a pig than a fascist", aldus Porco) en de hele film heeft lak aan conventies en ongeschreven regels. Miyazaki doet hier gewoon waar hij zin in heeft: tekenend hiervoor is het grote gevecht tussen Porco en de Amerikaan. Wat begint als een typische dogfight eindigt snel wanneer de machinegeweren blokkeren, waarop de twee elkaar beginnen te bekogelen met allerhande materiaal en uiteindelijk landen om alles te beslissen in een nogal barbaarse bokswedstrijd. We zien het Disney niet snel doen.
Daarmee zou je je wel durven afvragen in hoeverre Porco Rosso een kinderfilm is. Miyazaki's motivatie om deze film te maken zou eerder met Japanse zakenlui te maken hebben dan met kinderen, en de dramatiek rond het hoofdpersonage is nu niet bepaald iets dat past binnen de meeste kinderen hun leefwereld. Er valt genoeg te bewonderen, maar dit is Miyazaki's eerste film die duidelijk voor een volwassen publiek gemaakt werd. Waar de animatiefilms aan onze kant van de aardbol als doel hebben om kinderfilms voort te brengen waar je als volwassene ook naar kan kijken, is het bij deze Porco Rosso exact omgekeerd en is dit een film waar kinderen op de tweede plaats komen. Een idee dat Miyazaki met zijn volgende film nog duidelijker naar voren zou brengen.Porco Rosso lijkt een beetje de vergeten Miyazaki te zijn. Samen met Kiki's Delivery Service (en logischerwijs ook The Castle of Cagliostro) vormt het een gat binnen zijn filmografie dat maar weinig succes kent tegenwoordig. We zouden niet weten waarom: de film kan zich makkelijk meten met alles wat Miyazaki tot op dit punt gemaakt heeft en op vlak van stijl past het perfect binnen zijn catalogus. Een logische uitleg is er niet voor, dus doe uzelf een plezier en kijk deze te weinig besproken film wanneer u de kans hebt. Het introduceert enkele duistere thema's op een heel vernuftige manier, maar is verder weer een weergaloos spektakelstuk dat iedereen zal kunnen boeien.
18 augustus 2011
Kiki's Delivery Service (1989)
In een gesprek met hoofdpersonage Kiki vertelt een jonge artieste wat haar motivaties als kunstenaar zijn, haar eigenlijke drijfveren. Ze zegt hoe haar oude schilderijen kopies waren van iets wat ze al eens eerder gezien had, en dat ze toen gezworen heeft haar eigen unieke werk te produceren. We kunnen aannemen dat Miyazaki op dat moment rechtstreeks tot zijn publiek spreekt, en terecht ook. Met My Neighbour Totoro creëerde hij een uniek werkstuk, waar zijn eerdere films veel conventioneler aangepakt werden. Maar het interessantste aan dit alles is dat er naast zijn gepaste trots ook een zekere arrogantie schuilgaat. Niet alleen is hij tevreden op wat hij met Totoro gecreëerd heeft, maar hij uit zekere gevoelens tegenover mensen die tevreden zijn met steeds maar weer kopies te schilderen. Of dat nu gevoelens van medelijden, afkeer of teleurstelling zijn is maar de vraag.Kiki's Delivery Service is duidelijk Miyazaki's meest persoonlijke film. Voor een keer praat hij eens niet over Moeder Natuur, maar snijdt hij daadwerkelijk onderwerpen aan die hem nauwer aan het hart liggen. Om diverse thema's als ondermeer een cultuurclash, "de jeugd van tegenwoordig" en de geest van een artiest aan te snijden mixte hij de traditionele vertelstijl van Laputa: Castle in the Sky met de vrijblijvendheid van My Neighbour Totoro. We krijgen het verhaal van Kiki, een dertienjarige heks die in een nieuwe stad aankomt en - blijkbaar geheel volgens de heksentraditie - een eigen zaak moet opstarten.
Die stedelijke omgeving is nieuw binnen Miyazaki's films. Gekenmerkt door een soort oud-Europese architectuur voelt het zeer warm en herkenbaar aan, zonder dat er een duidelijke locatie op geplakt wordt. Maar uiteindelijk is het slechts een stad. De wereld van Kiki's Delivery Service barst niet echt van de originaliteit; waar Totoro nog op elk aspect een eigen creatie is leent Miyazaki hier grotendeels van bestaande folklore (en de film is dan ook nog eens een adaptatie van een kinderboek). Heksen die op bezems vliegen en zwarte katten met zich meezeulen is niets nieuws, dat is een wereld waar we allemaal al van onze kinderjaren mee vertrouwd zijn. En toch is dit thematisch gezien Miyazaki's meest veelzijdige film, misschien juist wel om die reden. Aangezien er geen nieuwe wereld is waar we ons als kijker aan moeten aanpassen durft Miyazaki ons interessantere thema's aan te rijken, zonder dat we verdrinken onder de hoeveelheid informatie die we gaandeweg moeten opnemen.

Wat Kiki's Delivery Service echt onderscheidt van de rest op haar meesters palmares is de sterke conservatieve wind doorheen de film. Dat viel ook wel een klein beetje af te leiden uit de milieugezinde tint doorheen zijn eerdere films, maar hier is het niet langer een ondertoon. De stad als setting is duidelijk een vervuild milieu: er zijn een aantal toffe personages, maar al de persoonlijkheidsloze karakters die de film opvullen zijn op zich verwerpelijke randgevallen waar Kiki niets mee te maken wil hebben. Ze lachen haar indirect uit om haar voorkomen en respecteren haar andere, in hun optiek ouderwetse gedrag niet helemaal. Opmerkelijk is echter dat de artieste, waarvan eerder vastgesteld werd dat Miyazaki rechtstreeks door haar spreekt, de geest van 'de heks' en de geest van 'de artiest' rechtstreeks linkt. Als we die lijn doortrekken en Kiki met Miyazaki linken zien we toch wel enkele interessante aspecten binnen dat personage.
Kiki heeft namelijk een stevig inferioriteitscomplex, wat leidt tot (gedeeltelijke) sociale isolatie. Als plattelandsheks die het in de grote stad moet waarmaken kent ze een flinke cultuurshock, want zoals we allemaal weten is het leven in een klein dorpje heel anders dan in een grote stad. De mensen zijn er koeler en afstandelijker, de omgeving is drukker, ... en als we Miyazaki mogen geloven lijdt je moraliteit er ook onder. Ze wordt scheef bekeken wanneer ze voorbijgangers een simpele vraag stelt, valt compleet uit de toon qua kledij en heeft alle moeite om enkele basisrelaties op te bouwen. Interessant is dat Miyazaki in zijn jeugdjaren meermaals van school moest veranderen; is Kiki's Delivery Service gedeeltelijk autobiografisch? Zijn dit demonen uit Miyazaki's verleden die hij hier verfilmt? In ieder geval hebben we Miyazaki zelden zo'n persoonlijk verhaal zien vertellen.
Uit dat alles valt ook een conservatieve houding af te leiden. De film verkiest duidelijk het oude boven het nieuwe, het platteland boven de stad, oudere generaties boven de jeugd, ... er hangt een stevig nostalgische "vroeger was alles beter"-factor vast aan de film. Typerend is misschien wel de scène waar Kiki samen met een bejaarde vrouw een taart dient te bakken. Allereerst is er het weinig subtiele gegeven dat de microgolfoven kapot is, en ze de taart dus oldskool met brandhout moeten zien te maken. Qua beeldspraak kan dat al tellen. Maar wanneer Kiki die met veel liefde bereide taart dan uiteindelijk aflevert aan de vrouw haar kleindochter wordt ze koud afgewimpeld. Als antwoord krijgt ze een respectloze "weer een taart van die oude..." em... taart. Het lijkt triviaal, maar zo'n destabiliserende momenten vinden we met enige regelmaat binnen Kiki's Delivery Service. En ookal zijn het hoofdpersonage en haar tegenhanger wél sympathieke kinderen, het merendeel van de kinderen binnen de film is vervelend of ronduit gemeen, terwijl de volwassenen doorgaans veel leukere personages zijn. Daarmee is dit misschien wel de minst kindgerichte kinderfilm ooit, gericht naar kinderen én wel degelijk gemaakt voor kinderen, maar tegelijk ook niet helemaal kindvriendelijk en ondanks de kinderlijkheid van het geheel worden kinderen hier eigenlijk gedemoniseerd tot extreem kinderachtige vlegels die... em... mijn hersenen liggen in een knoop.

Maar die verhalen van onzekerheid, eenzaamheid en die rotvlegels worden subtiel genoeg ingeprent om de film niet te zwaar te maken. Want aan de kern is dit gewoon een luchtig, amusant verhaaltje over een heks die vlaaien rondbrengt samen met haar sprekende kat. De dag-tot-dag routine van dit verhaal zorgt voor een soort vrijzinnigheid die ook in Totoro terug te vinden was: er is geen duidelijk plot, er zijn alleen gebeurtenissen. Al is de basis voor Kiki wel duidelijk steviger dan Totoro: je krijgt wel degelijk een goed uitgewerkt basisplot en wordt niet zomaar binnen de situatie gedropt. Mensen die Totoro iets teveel een scheet in een fles vinden zullen de balans van Kiki's Delivery Service sterker weten te appreciëren.
Want de (relatief) veelzijdige inhoud staat Kiki's Delivery Service niet in de weg om gewoonweg weer een verdomd toffe animatiefilm te zijn. De prent zit wederom vol met lichthartige momenten; of het nu humor, actie of drama is. Het is misschien wel de meest stabiele film die Miyazaki op dat moment gemaakt had: waar zijn eerdere werken uitblonken in één bepaald aspect of één specifieke aanpak, is Kiki veel dan wel gematigd, maar ook een allrounder. We herkennen veel van de positieve punten van zijn eerdere films, die goed afgewogen worden en heel precies binnen de film uitgebalanceerd worden. Daardoor mist de film een beetje de geniale eigenzinnigheid van Totoro, maar valt er eigenlijk niet echt iets slecht over te zeggen. Kiki's Delivery Service steekt goed in elkaar, is een genot om naar te kijken en is inhoudelijk interessanter dan ooit.
13 augustus 2011
Rise of the Planet of the Apes (2011)
Aaaaaah, niets dat zo goed voelt als een flinke meevaller. Het originele Planet of the Apes van 1968 is nog steeds één van mijn favoriete science fiction films, en ook de vier sequels zou ik iedereen durven aanraden, want het is nu eenmaal één van de weinige filmfranchises die het aandurft om één groot verhaal te vertellen over vijf films tijd. Het moet dan ook niet gezegd worden dat ik niet tevreden was toen Tim Burton die hele saga tien jaar geleden zo respectloos over de schoot nam dat zelfs een Noorse socialist er geschokt van zou opkijken. Dat er nu dan plots een prequel op dat gedrocht (nog steeds één van de grote debacles van vorig decennium) geproduceerd wordt deed het slechtste vermoeden, en dat de trailer dan ook nog eens deed denken aan een zombiefilm met CGI-apen, tja... Zelden heb ik zulke lage verwachtingen gehad voor een film, ik zou er niet van opgekeken hebben moest Rise of the Planet of the Apes (wat een titel ook, vanaf nu noem ik em RotPotA) letterlijk één van de slechtste films aller tijden geworden zijn. Maar kijk, dat valt dan weer reuze mee. Dat de film geen onkijkbaar zooitje geworden is: een flinke verdienste. Dat het geheel eigenlijk serieus te nemen valt en niet compleet belachelijk is: het teken van een zeer goed productieteam. Dat de film uiteindelijk zelfs redelijk goed is: niets minder dan een mirakel en ongetwijfeld een zekere hoeveelheid Goddelijke interventie.
Als we terugkijken naar de originele franchise is RotPotA eigenlijk een remake (of die fancy term die tegenwoordig in het rond wordt gegooid: re-imagining) van zowel Rise als Conquest of the Planet of the Apes. Het vertelt het verhaal hoe mensen hun positie als het dominante ras verspeeld hebben en de basis van de eigenlijke Planet of the Apes tot stand is gekomen. Het slaagt daar vooral het eerste uur heel goed in.
De eerste twee aktes lijken in de verste verten niet op het actiespektakel dat de trailer deed vermoeden. RotPotA is nog eens een blockbuster die zijn verhaal en karakters degelijk introduceert en een emotionele investering in het verhaal belangrijker vindt dan er een actievolle achtbaanrit van te maken. James Franco wordt geïntroduceerd als de archetypische geniale wetenschapper die ook een beetje een sufkop is. Zijn vader - John Lithgow stelt nooit teleur - leidt aan Alzheimer (hoe slordiger zijn haar hoe serieuzer de ziekte). Terwijl Franco onderzoek doet om de ziekte tegen te gaan vindt hij per ongeluk een virus dat apen hyperintelligent maakt, maar giftig is voor mensen. En tja, je mag twee keer gokken wat er dan gebeurt in een film die 'Rise of the Planet of the Apes' heet. Je weet op voorhand goed en wel wat de uitkomst van het verhaal zal zijn, maar het is een verdienste dat de film desondanks behoorlijk interessant blijft, ookal komt er nooit enige vorm van spanning bij kijken.
RotPotA is voor een groot deel eigenlijk eerder een ontsnappingsfilm dan een revolutiefilm. Nadat je hoofdaap Ceasar grondig leert kennen wordt hij opgesloten in een soort apengevangenis, en de volledige tweede akte bestaat uit het ontsnappen van Ceasar en zijn lotgenoten. Rupert Wyatt weet dit zeer treffend in beeld te brengen: hij neemt zijn tijd om alles duidelijk en aan een aangenaam tempo in beeld te brengen. Je krijgt geen gevoel alsof je snel even door de basis wordt geloodst, het voelt niet te zwaar aan en gaat niet vervelen. Het is een heel mooi stukje popcorncinema, dat in de derde akte weliswaar een beetje uiteenvalt.Het grote probleem is dat ofwel schrijversduo Rick Jaffa en Amanda Silver zich naar het einde toe veel te veel vrijheid heeft aangemeten in verband met het niet uitleggen van essentiële stappen, of de film in een blender is beland tijdens het monteren. De inconsistenties zijn plots nauwelijks bij te houden. Ceasar steelt blijkbaar een zak koekjes nog voor hij toegang krijgt tot de zaal waar deze in opgeborgen werden. De twintig apen die we doorheen het tweede bedrijf zien vertienvoudigen plots tijdens de ontsnapping. Apen die uit de zoo bevrijd worden lijken even slim als degene die het virus in zich dragen. Een aap uit het circus kan even goed gebarentaal als genie-Ceasar. Nagenoeg iedereen die de trailer gezien heeft moet zich afgevraagd hebben waarom de mensen de apen niet gewoon neerschieten: ook daar brengt de film geen echt antwoord op. De eindscène is zelfs zo plat dat je eigenlijk verwacht dat de film te vroeg gedaan is: het eindgevecht is nog niet gedaan, vijf minuten na het eindshot zou de strijd in principe weer opnieuw moeten losbarsten. Enfin, het is nogal een rommeltje.
Het vreemdste aan dit alles is nog wel dat tien seconden na het begin van de credits een extra scène komt. Dit is ondertussen meer wet dan uitzondering: Samuel L. Jackson die iets over The Avengers komt zeggen, een nietszeggende epiloog, ... Het is meestal een beetje simpele fanservice die niets aan het verhaal toevoegt. Hier is dit echter, vreemd genoeg, de sleutelscène van de hele film. Ik wil zelfs zo ver gaan als zeggen dat deze scène drie kwart van de film volkomen nutteloos maakt. Als we het effectief over de 'Rise of the Planet of the Apes' hebben, wordt dit verhaal in drie scènes uitgelegd die alles samen misschien drie minuten duren. De rest is dan wel een leuk verhaaltje, maar zelfs al werden alle ontsnapte apen aan het einde genadeloos afgeslacht, dat zou geen enkel effect gehad hebben op de uitkomst van het grote geheel. En dat is een heel vreemd iets om te moeten constateren nadat de credits eigenlijk al gestart zijn.
De film is met gênant weinig moeite helemaal lek te prikken, maar voor één keer geldt het cliché: als je er niet te veel bij nadenkt is het zeker wel genietbaar. Hoewel de logica soms ontbreekt is het gevoelsmatig een heel solide, amusante film. Al zitten ook daar enkele kinken in de kabel. Twee apen in gebarentaal laten communiceren, en dat dan ondertitelen is geen goed idee. Dat lijkt me logisch. Maar veel en veel erger is de enorm geforceerde, gruwelijke referentie naar het origineel, wanneer Tom 'Malfidus' Felton er de inmiddels legendarische zin "Get your stinking paws off me you damned dirty ape" uitkraamt. Het voelt simpelweg onnatuurlijk aan in een film die op zich - moeilijke zin in aantocht - een prequel is die als reboot dient voor de remake van de gerefereerde film. Maar wat de film niet ten goede komt is dat je in de naschok van deze kleine ramp, terwijl je al kreunend in je stoel wegzakt, een belangrijk scène voorbijvliegt. Het is een groots moment van drama binnen het verhaal, dat compleet verprutst wordt door de geforceerde "hommage".

Ik herhaal: hoeveel er heel erg veel is om op te vitten is dit één van de betere blockbusters in lange tijd. De volledige cast draait op hoog niveau, en vooral de ééndimensionale schurken zijn zeer tof op een B-film manier. David Oyelowo - wie? - is niets minder dan briljant als James Franco's baas die alleen maar aan geld denkt. Even zijn bril opzetten vooraleer hij een oneliner à la "You'll get famous, I'll get rich" zegt. Ook Brian Cox is weer zijn intimiderende zelf en het is lang geleden dat ik nog eens zoveel zin had om een personage een klets rond de oren te geven als Malfidus hier. Het is typecasting, maar deze jongen weet als geen ander hoe je een personage enorm vervelend en frustrerend gemeen kunt laten overkomen.
Tot slot zijn de CGI én het werk van Andy Serkis weergaloos. Er is een ongeschreven regel dat CGI pas kan overtuigen als je er geen vergelijkingsmateriaal naast legt. En hoewel de film zijn best doet om alle apen - ook in het wild en in de zoo - door CGI te renderen wordt die regel toch jammerlijk gebroken, aangezien de film de pech heeft om aan maarliefst twee Taylor Lautner trailers gebonden te worden.

Maar het moet gezegd: de technologie staat inmiddels weer zes jaar verder sinds we onder de indruk waren van King Kong (het personage, niet die drol van een film die errond gebouwd werd) en dat is er aan te zien. Het is niet overdreven om te stellen dat we nu echt op een punt zijn gekomen waar, langzaam maar zeker, de grenzen tussen CGI en werkelijkheid beginnen te verdwijnen. Ceasar en een handvol andere apen zijn zo overtuigend - toegegeven, baby Ceasar ziet eruit als een tekenfilmfiguur - dat je ze moeiteloos accepteert als echte personages. De technologie achter RotPotA kan zich makkelijk meten naast andere briljante personages die door motioncapturing tot stand kwamen, zoals King Kong, Smeagol en de Na'vi. In feite valt de Rise of the Planet of the Apes als kijkervaring goed te vergelijken met Avatar: indrukwekkende CGI, met een duidelijke vakmanschap opgebouwd, maar uiteindelijk is het essentieel dat je vooral niet te veel over nadenkt.
Abonneren op:
Posts (Atom)