14 februari 2010

King Kong Escapes (1967)

Wanneer productiestudio Toho een flinke 200.000 dollar neertelt voor de rechten om sequels te mogen maken op King Kong ga je ervan uit dat ze de centen die ze voor de grote aap neertelden zo goed mogelijk zouden gebruiken. Het liep echter flink anders: de tweede Kong film werd uiteindelijk aangepast tot Godzilla vs. the Sea Monster. Wanneer Kong dan toch eindelijk zijn tweede Japanse film kreeg was het in samenwerking met de Amerikaanse animatiestudio Rankin/Bass ter promotie van de animatieserie rond Kong (die met die geweldige theme song). Dat ze na (het in Japan zeer succesvolle) King Kong vs. Godzilla en deze collaboratie hun peperdure rechten nooit meer bovengehaald hebben is op zijn minst een lichte misrekening te noemen.

Het verhaal laat zich omschrijven als een van de meest inspiratieloze (maar hilarisch cheesy) samensmelting van plot en personages. Dr. Who (neen, niet Dr. Hu ofzo) wordt ingehuurd door Madame X - die een niet nader genoemde regering vertegenwoordigt - om een grote hoeveelheid element X op te graven. Maar aangezien deze stof zo sterk radioactief is kan Dr. Who zijn henchmen het niet laten doen, dus creëert hij een mechanische replica van King Kong (het legendarische wezen dat - normaal gezien - niemand ooit gezien heeft). Wanneer die echter ook niet tegen de straling kan beslist Dr. Who om de echte Kong te kingnappen. Ik moet verder niet uitleggen hoe bizar het verhaal wel niet is, maar in navolging van King Kong vs. Godzilla is dit een gigantische stap voorwaarts. Er zijn deze keer ook enkele menselijke rollen die met overtuiging 'personages' genoemd mogen worden en er is effectief een opvolging van gebeurtenissen die - zijnde het met stripboeklogica - wel een plot vormen. Geen goed plot ofzo, maar er is wel iets dat de hele film een bij mekaar houdt, wat al een enorme vooruitgang is op de rotzooi die zich voordeed toen Kong het tegen Godzilla opnam.

King Kong Escapes voelt in elk detail erg cartoonesk aan, wat niet toevallig is gezien de samenwerking met het bedrijf achter de tekenfilm. In Dr. Who krijgen we een schurk die niet zozeer een 'mad scientist' is, maar eerder een compleet geschift persoon die net uit een instelling lijkt ontsnapt te zijn, assortie met rare wenkbrauwen, een slecht gebit en een Dracula-cape. Verder zijn er nog meer stockpersonages zoals het prototype van een held waar het testosteron van afdruipt of een lady-in-distress die ten alle tijden aan een leiband gehouden zou moeten worden. Kong zelf ziet er net iets minder verschrikkelijk uit dan in King Kong vs. Godzilla, maar veel scheelt het niet. Vooral de proporties van het lichaam lijken nu iets logischer, maar de aap staart nog altijd uit een suffe papier-maché kop en lijkt zwaar aan de drugs te zitten. Misschien was het wat beter geweest als hij zijn kaken tegen mekaar zou kunnen drukken, maarja.

Het belangrijkste verschil met zijn voorganger is dat deze film wel de entertainmentwaarde bevat die je van een belachelijk over-the-top monsterfilm verwacht. Het verhaal op zich is al genoeg om de hele tijd onderhoudend te blijven, maar ook de effectieve gevechten zijn van een hoger niveau dan in King Kong vs. Godzilla. De uiteindelijke eindclash tussen King Kong en Mecha-King Kong valt tegen en is eigenlijk een abrupte en flauwe Empire State Building rip-off. Het gevecht tussen Kong en de Gorosaurus - een soort Tyrannosaurus Rex die in staat is om dropkicks uit te voeren - overtuigt dan weer wel en voegt alleen maar toe aan de grote hoop fun die deze film al om zich heeft. In principe is het nog altijd een tegenvaller waar veel meer in had gezeten, maar in vergelijking met zijn voorganger is dit meerdere stappen in de goede richting en een film waar je wèl enigszins plezier aan kan beleven.


5.0

King Kong vs. Godzilla (1962)

Wanneer je een Japanse sequel kijkt op een Amerikaanse klassieker die dertig jaar eerder verscheen kan je je verwachtingen maar beter beperken. Maar met een titel zo episch als King Kong vs. Godzilla is dat allerminst evident, zo'n titel klinkt meteen als een weergaloos spektakelstuk en instant klassieker. Maar helaas: na een hoop miserie die veel te uitgebreid is om hier uit te schrijven werd de film uiteindelijk een grote tegenvaller. Lang verhaal kort: het Japanse origineel was eigenlijk een obscuur soort komedie waar alleen in Japan mee gelachen wordt, dus werd de film in Amerika opnieuw in mekaar gestoken om het gevecht tussen de twee legendes (wat in het origineel voornamelijk een subplot was dat als achtergrond diende voor de film) als centrale plot neer te zetten.

Natuurlijk heeft het gevecht absoluut de draagkracht niet die daar voor nodig is. Universal Studios dacht dat King Kong vs. Godzilla niet geschikt zou zijn voor Amerikaanse kijkers en besloot de film daarop aan te passen. Dit komt er min of meer op neer dat scènes die de personages uitdiepten geschrapt werden en vervangen door frustrerende nieuwsuitzendingen van de Verenigde Naties. Tijdens deze zéér frequent voorkomende onderbrekingen kijk je eigenlijk naar een of andere douchebag die de plotlijnen - die door de editing niet meer kloppen - terug aan mekaar probeert te knopen. Een hopeloos amateuristische rommel die het tempo keer op keer uit de film haalt. Deze 'eigen visie' op de film bouwt volledig op naar het eindgevecht en - zoals je wel kan verwachten - is dit een van de minst voldoenende climaxen van eender welke grootste monsterclash. Godzilla spuwt vuur en gooit wat stenen, King Kong smijt ze terug en de twee worstelen wat rond. Na enkele minuten stopt het gevecht plots zonder een duidelijke reden of winnaar en rollen de eindcredits. Knullig, om het licht uit te drukken.

Het verhaal is zo banaal als je kan verwachten, en dat is niet per sé negatief. Godzilla ontwaakt uit de ijsberg waarin hij vast zat en sneller dan de gemiddelde anime-fan raast hij zich een weg naar Japan toe. Kong neemt een omweg en wordt door enkele zakenmannen/ontdekkingsreizigers meegenomen naar het platteland waar - je zag em vast niet aankomen - hij ontsnapt. De twee lopen wat rond door Japan en komen dan tot een gevecht: Godzilla blaast wat vuur richting Kong, die op zijn beurt wegloopt. Even later komen Godzilla en de pussy (die vergast werd en met behulp van ballonnen (ja, ballonnen!) tot bij Godzilla werd gedreven) elkaar weer tegen en dan gaat de strijd min of meer gelijk op. Het enorm saaie gevecht - waar Kong enkel en alleen overleeft omdat hij kracht put uit stroom (je leest het juist) - kent geen winnaar en eh... tja, dat was de film wel zowat. Je zou misschien verwachten dat een duel tussen de twee meest iconische monsters uit de filmgeschiedenis wat meer ballen zou hebben, maar dat valt flink tegen.

De stopmotion stijl van de eerste King Kong werd overboord gesmeten en de productie ging volledig voor de Godzilla-stijl: Japanners in kostuums die miniatuursteden afbreken. In theorie is daar niets mis mee (het Godzilla pak ziet er degelijk uit), maar het Kong-kostuum is een grote grap en kaakslag voor het origineel. Zijn gezicht is onbeweeglijk en lijkt op hersenbeschadiging te duiden, terwijl het lichaam beplakt is met het schijnbaar geschoren haar van enkele ongelukkige straathonden. De Amerikaanse versie van King Kong vs. Godzilla is in elk aspect een farçe en een misdaad tegen het origineel. Het lijkt dat na de 200.000 dollar die voor de Kong-rechten betaald werden (een indrukwekkend bedrag in 1963) het budget volledig op was en de film dan maar gemaakt werd door vrijwilligers die niet betaald moesten worden. Dat zou in ieder geval een excuus zijn voor deze grote teleurstelling.


2.5

7 februari 2010

King Kong (1933)

Iedereen kent King Kong, dat durf ik als feit neerzetten. Want ondanks dat het niet de eerste monsterfilm was is King Kong wel de grote klassieker van het genre geworden. Door de fenomenale visuele effecten, het onderhoudend verhaal en strakke tempo is dit altijd een prachtig stukje cinema geweest dat een weergaloze charme behoudt na 77 jaar. Al is de status van de gigantische aap wel enigszins aangetast door de vele rip-offs, enkele slappe sequels en twee zwakke remakes en zorgt bepaalde gedateerdheid van het geheel wel voor een zekere afstandelijkheid.

Carl Denham wil een filmcrew leiden om zijn volgende epische jungleprent te filmen op een eiland dat op geen kaart te vinden is. Hij gaat op zoek naar een actrice en vindt er een in de straatarme Anne Darow. Ze vertrekken samen (zonder dat Carl iemand zegt waar ze precies naartoe gaan) en komen uiteindelijk uit op Skull Island, toevallig gekenmerkt door een grote schedelvormige rotsformatie. Er leven enkele vreemde stammen, de jongens filmen wat scènes en keren terug naar hun boot. De inboorlingen zien echter wel wat in mevrouw Darow en ontvoeren haar nadat hun poging tot ruilen (zes inheemse vrouwen!) niet geaccepteerd wordt. De bende keert terug naar het eiland en komt net op tijd aan om Darow te zien verdwijnen in de handen van een gorilla van een meter of vijftien. De rest van de film draait om de achtervolging en het uiteindelijke vangen van Kong, waarna hij naar New York verhuist en daar de boel op stelten zet. Ondanks de lichte absurditeit van de opzet en de simpliciteit van het geheel blijft het bekende verhaal boeiend genoeg om de actiescènes en de effecten te ondersteunen.

Want dat is natuurlijk de voornaamste reden waarom King Kong de geschiedenisboeken in gegaan is. Willis O'Briens prachtige stopmotion en projectie staat na driekwart eeuw nog steeds als een huis en bezorgen het geheel een onmiskenbare en tijdloze charme. We zien de behaarde gigant ondermeer worstelen met een Tyrannosaurus Rex en een slang - wat erg onderhoudende en knap geschreven gevechten zijn - maar we zien bijvoorbeeld ook complete implementatie van de effecten wanneer de avonturiers een Stegosaurus onder vuur nemen. En tijdens de sterkste scène van de film zien we King Kong een boomstam rondsleuren terwijl de acteurs op diezelfde boomstam hun balans proberen te houden, waarna Kong ronddoolt op zoek naar de overlevende bemanningsleden. Dit is een absoluut briljante sequens die verschillende lagen (zowel klassiek gefilmd als speciale effecten) perfect weet te combineren tot één overtuigend geheel. Deze combinatie van speciale effecten is zelfs vandaag de dag nog lastig om helemaal juist te krijgen, terwijl O'Brien het zeventig jaar geleden al bijna foutloos deed. En hoe knap het visuele aspect vandaag de dag standhoudt, probeer maar eens te empathiseren met het grote publiek van 1933 dat nooit eerder zoiets gezien had. Mindblowing.

Uiteindelijk voelt King Kong zelfs niet eens zo gedateerd aan, de hele film raast voort met een goede hoop peper in het gat en geeft je nooit de kans om je te vervelen. Maar op enkele vlakken is de datum natuurlijk wel lichtjes voelbaar; de personages zijn niet genuanceerd en allemaal nogal ééndimensionaal. De acteerprestaties zijn even gedateerd en zijn nogal overdreven in vergelijking met de subtiliteit die vandaag de dag verwacht wordt. Maar een groot struikelblok vormt dat nooit, want King Kong is een geweldig avontuur en een mijlpaal in de cinema. De grootsheid van de film ligt hem niet zozeer in hoe je hem nu ziet (al is daar absoluut niets mis mee), maar op welke manier Kong het filmmaken van de voorbije zeven decennia beïnvloedt heeft. King Kong is een prachtig voorbeeld van het potentiaal waar film als medium over beschikt: een meesterwerk als dit kan niet zonder passie nagemaakt worden, hoeveel geld of computers je er ook beschikbaar voor stelt.


9.0

5 februari 2010

Revolver (2005)

Sorry. Mijn oprechte excuses dat ik RocknRolla heb opgenomen in mijn lijstje van grootste rommel van het decennium. Moest ik Revolver toen al gezien hebben zou ik in geen honderd jaar nog maar aan die andere Guy Ritchie film gedacht hebben. Want hoezeer ik RocknRolla al een gigantische misser vond waar het verhaal erg onduidelijk is en alles in teken staat van de stijl, blijken diezelfde kritiekpunten driedubbel te gelden voor Revolver. De enige die de kroon van Revolver kan ontnemen is Swept Away, maar tot ik die gezien heb benoem ik Revolver nu al tot Guy Ritchies magnum opus van rotzooi.

In principe zou ik in deze alinea graag een korte beschrijving van het plot neerschrijven, maar het lukt mij niet. Ik heb simpelweg geen idee wat er allemaal gebeurd is in Revolver. Nuja, het eerste uur valt nog allemaal wel mee: Jason Statham (met lang haar, baard en snor, ziet er verschrikkelijk uit) zit zeven jaar in de gevangenis, opgesloten tussen een schaakmeester en een
oplichter. Wanneer hij vrijkomt wil hij wraak nemen op casino-eigenaar slash gangster Ray Liotta, hij gaat zijn casino binnen, verdient een klein fortuin en loopt weer naar buiten. Het Liotta personage wil Statham nu vermoorden (uiteraard), maar hij wordt gered door twee gangsters die hem onder hun vleugels nemen. Statham heeft ook een zeldzame bloedziekte waardoor hij binnen drie dagen zou sterven, waardoor hij al zijn geld geeft aan de twee mannen om hem te beschermen van Liotta, want.... ehm, juist ja. Eén van de twee weldoeners is trouwens een schaakmeester, zie ik daar een twist verschijnen?

Maar dan breekt de film los in een spervuur van kleine subplots en pogingen tot psychologisch gebrabbel. Drugsdeals tussen Liotta en Chinezen lopen mis, er wordt geschaakt, Statham blijkt toch niet ziek te zijn, hij wordt opgejaagd, ze stelen drugs en er komt een zekere Mr. Gold in het spel die blijkbaar heel belangrijk is. Die Mr. Gold is blijkbaar een heel belangrijk gegeven voor Ritchie, maar ik zou niet durven zeggen wat er nu is. Ik denk dat het Statham personage uiteindelijk Mr Gold blijkt te zijn? Of dat zijn twee kompanen enkel in zijn hoofd bestaan? Dat klinkt misschien als gigantische spoilers, maar in feite zijn het gewoon pogingen om deze soep van een verhaal een beetje richting te geven. Ik heb (eerlijk) geen flauw idee in welke richting het verhaal uiteindelijk gewrongen werd, noch waarom. Citaten worden eindeloos herhaald en bepaalde scènes worden opnieuw en opnieuw gebruikt in héél korte flashbacks in pogingen om intellectueel over te komen, maar het mondt uit in een niet te volgen verhaal waarin Guy Ritchie zelfs niet eens lijkt te weten wat hij nu eigenlijk wil vertellen.

En die enorme nonsens zit dan ook nog eens verpakt in een film met enorm veel pretentie. Dat Guy Ritchie nogal vol van zichzelf is weten we al langer, maar deze narcistische Tarantino wannabe overstijgt zichzelf hier. Statham vliegt in volle slow motion door de voorruit van een auto, om vervolgens in nog slowere motion het geheel terug te spoelen (terwijl je in de slowste motion het glas ziet rondvliegen), waarna Statham de auto ontloopt. De film zit vol met dit soort idiote pogingen tot stijl (het implementeren van een animatiestijl bijvoorbeeld is om te janken). Uiteindelijk probeert Ritchie hier zoveel bronnen te plagiëren (The Usual Suspects, Fight Club, Kill Bill, de lijst gaat nog een tijdje door) dat zelfs de stijl een grote rommel is. Een gigantische stinker van een film waar helemaal niets in te vinden is. Natuurlijk kan je er tientallen theorieën rond verzinnen (zoals google duidelijk aangeeft), maarja: uit een vuilnisbelt kan je ook bruikbare spullen in mekaar knutselen.


1.0

4 februari 2010

Zwartboek (2006)

Toch grappig hoe het uiteindelijk allemaal kan keren. Paul Verhoeven werd waanzinnig populair in Nederland na enkele klassieke films als Turks Fruit en Soldaat van Oranje. Verhoeven fixeerde zich altijd flink op seks en fascisme en werd daarvoor keihard de grond ingeboord bij de release van Spetters. Hij trok naar Hollywood, maakte enkele science fiction klassiekers met Robocop, Starship Troopers en Total Recall, filmde op legendarische wijze tussen Sharon Stone's benen in Basic Instinct waarna hij zichzelf weer belachelijk maakte met Hollow Man en vooral Showgirls. 25 jaar na Spetters keert hij terug naar Nederland om een film te maken over seks en fascisme en de critici zijn er dol op. Rare jongens, die Nederlanders.

De illusie dat Zwartboek een waargebeurd verhaal zou kunnen zijn mag al rap weer opgeborgen worden. Verhoeven en Soeteman hebben een handvol waargebeurde verhalen genomen en samengeregen tot één groots en epische opvolging van brute pech. Logischerwijs lijkt het verhaal daardoor enorm overdreven en is het nergens nog geloofwaardig. Verhoevens stijl helpt daar niet bij, want de man steekt het geheel vol met Hollywoodclichés en cheesy teksten die niet één keer hun doel bereiken en in meer dan één situatie onbedoelde hilariteit oplevert ("Je vloekt, Godslasteraar!"). De dialogen zijn van zo'n bedenkelijk niveau dat je meer dan één keer je wenkbrauwen zal fronsen en het moet een hel geweest zijn voor de hele cast om ze uit te spreken. Verwonderlijk eigenlijk dat het acteerwerk dan toch van degelijk niveau is. Natuurlijk wordt er hier en daar gigantisch overact in de kleinere rollen, maar de grote rollen (met Carice van Houten voorop) zijn wel degelijk overtuigend. In hoeverre je kan overtuigen in zo'n overdreven situaties en dialogen, natuurlijk.

Verhoeven toont hier de tweede Wereldoorlog als een verheerlijkt epos zoals een klein jongetje er mee zou omgaan. Er is nergens plaats voor nuancering: de nazi's zijn allemaal dégoutante, geharde monsters, opgebouwd in een lab uit Hitlers zaad en een eicel van de Alien Queen. De verzetstrijders zijn dan weer Han Solo's die bij elke gelegenheid een nazi proberen neer te knallen om daarna zo sarcastisch mogelijk een cheesy oneliner te mompelen. Daar zit natuurlijk een bepaalde entertainmentswaarde aan vast die ook in Zwartboek terug is te vinden is, mede door het vlotte tempo, maar het is bijna beledigend om te zien hoe Paul Verhoeven dit wil laten doorgaan als een geschiedkundig verantwoord project. Hij lijkt het allemaal doodserieus te nemen terwijl je in principe zit te kijken naar een groots opgezette exploitation-film die zich toevallig afspeelt tijdens de tweede Wereldoorlog. Een B-film op groot budget die zich probeert voor te doen als kwaliteitscinema.

Maar verborgen onder de productiewaarde, een sterk spelende Carice van Houten en een veel te lang durend plot zitten nog steeds diezelfde Verhoeven-kenmerken die je ook in zijn ouder werk tegenkomt. Ergens naar het einde van de film toe is het nodig om Carice van Houten onder een hoop stront te bedelven. Of om een dikke, lelijke nazi full frontal naakt in beeld te schieten. Stuk voor stuk compleet onnodig en smaakloos, maar een smaakvolle film van Paul Verhoeven is dan ook altijd een verrassing. Zwartboek is pure kitsch die 2.5 uur niets te zeggen heeft, ondanks Carice van Houten en de mooie visualisatie van het geheel (schitterende kostumering, decors en effecten) is het resultaat zo cheesy dat het geen wonder is dat hij voor de productie Hollywood achter zich liet.


4.5

World's Greatest Dad (2009)

Robin Williams op de cover, een gegeven waardoor iedereen zich een specifiek gedacht van kindvriendelijke slapstick en vermoeiend overacten voor de geest zal halen. World's Greatest Dad staat daar nochtans loodrecht tegenover, laat u niet verwarren door de hoofdrol van Williams en de titel die een aanzienlijke hoeveelheid Jacky Chan doet vermoeden: dit is een duistere komedie die over minder plezierige zaken dan een pot flubber gaat. Het geheel is vervreemdend en lichtjes onwennig, maar heeft wel zeker een bepaalde charme om zich.

Robin Williams - die voor een keer heel erg ingetogen staat te acteren - is de vader van een gigantische rotzak. Kyle is een tiener die een hekel heeft aan muziek, film, boeken en zowat alles wat je je kan inbeelden. Ongemanierd, pervers en arrogant en weet door de knappe vertolking van Daryl Sabara onder je huid te kruipen en een echte walging voor het personage te creeren. Samen met zijn vriendin Claire (gespeeld door de sympathieke Alexie Gilmore) onderneemt hij poging na poging om zijn zoon ook maar een beetje te veranderen. De eerste helft draait rond het rotkarakter van Kyle en is een onwennig stukje cinema. De film sleept zich voort aan een traag tempo zonder ooit echt grappig te worden en vooral te focussen op het vervelendste aanwezige personage.

Totdat het plot ineens een onverwachte bocht neemt. Het is onmogelijk te vermelden zonder de verrassing te verpesten, dus ik zal er niet dieper op ingaan, maar vanaf dit punt ondergaat de film een complete metamorfose; de toon van de film verandert drastisch en het wordt plots weer aangenaam om volgen. Het is vanaf dit punt dat de film bewijst dat er wel degelijk iets de moeite waard is in dit script: het Robin Williams personage is vindingrijk in een vreemde situatie en zorgt af en toe wel voor een lach. Of toch enigszins een gegrinnik, want écht volop lachen zit er niet bepaald in, daar is de humor veel te subtiel voor. Té subtiel zelfs, want hoe intelligent het script ook probeert te zijn; sommige grappen worden aangebracht zonder enige komische noot en verdwijnen volledig in de combinatie met de overheersende triestige sfeer. Wanneer het toch wel moedige script uiteindelijk afloopt op een sisser van een mierzoete finale (die in deze donkere film misplaatst aanvoelt en recht uit een film à la Mrs. Doubtfire lijkt te komen) blijf je achter met erg gemengde gevoelens.

De grootste toegevoegde waarde van World's Greatest Dad zit hem dan nog - meer dan de effectieve humor - in de herkenbaarheid van het geheel. Hoewel het frustrerende personage van Kyle enigszins is uitvergroot kennen we allemaal het type tiener dat hiermee op de korrel wordt genomen. Kyle is een perfecte karikatuur van de egocentrische, oversekste en respectloze tiener die in serres gekweekt lijken te worden, maar we toch allemaal wel enkele namen op kunnen plakken. Zo ook de hypocritie in het tweede deel van de film, waar je perfect situaties uit je eigen leven kan projecteren en verbaasd zijn door de geloofwaardigheid van het geheel, terwijl dit uiteindelijk toch wel een farçe hoort te zijn. Dat is een leuk iets en zorgt er voor dat World's Greatest Dad uiteindelijk toch enigszins gered wordt. Voor de humor, personages of het verhaal hoef je het niet te doen, maar als je een goed beeld van massahypocrisie zoekt ben je hier op de goede plek.


6.0

3 februari 2010

The Princess and the Frog (2009)

Iedereen die van eind jaren '80 en begin jaren '90 afstamt zal zichzelf nu en dan al eens betrappen op commentaar met een hoog oude-lul-gehalte wanneer het gespreksonderwerp animatiefilms betreft. Deze generatie groeide op met de Disney renaissance waar klassiekers als Aladdin, Beauty and the Beast en The Lion King uit voortkwamen, geen wonder dus dat wij neerkijken op de jongeren die het met de bijna gênante hedendaagse kinderprogramma's moeten stellen. Sinds het misbaksel dat Home on the Range is leek de traditionele Disney animatiefilm dood en begraven, zeker omdat John Lasseter met Toy Story de digitale animatiefilm lanceerde en daarmee een basis legde die ruim tien jaar lang gevolgd zou worden. Maar kijk, in 2006 kwam diezelfde John Lasseter aan het hoofd van Disney en hij gaf meteen de opdracht om terug met de ouderwetse technieken aan de slag te gaan. En of we tevreden zijn!

Handgetekende animatie, de term draagt tegenwoordig een nostalgische klank met zich mee. Het doet gelijk denken aan een periode waarin de speeltijd en dinokoeken nog centraal stonden, lang vervlogen tijden waar je van tijd tot tijd nog eens met een brede glimlach aan terugdenkt. Onterecht natuurlijk, want met The Princess and the Frog toont Disney dat ze ze wel degelijk nog altijd kunnen maken zoals ze het vroeger deden. En het mag gezegd: het doet deugd om het uiteindelijke resultaat te kunnen bezichtigen. Het warme kleurenpalet, de wonderlijke achtergronden en gezellige personages zijn allemaal even betoverend als vanouds en - hoe goed Pixar ook zijn best doet - hebben een bepaalde charme die met CGI gewoon (nog?) niet mogelijk is gebleken. Vergeet The Emperor's New Groove, Lilo & Stitch en Brother Bear, films die - los van hun kwaliteiten - niet vergeleken kunnen worden met de 90's klassiekers, The Princess and the Frog kan wel degelijk naast The Little Mermaid geplaatst worden zonder belachelijk aan te voelen.

Al is dit wel degelijk meer dan gewoon een poging tot het kopiëren van die oude successen. Het verhaal speelt zich af in het New Orleans van 1920 en zorgt voor een verfrissend likje verf over de standaard Disney-werelden zonder er te ver van af te wijken: in plaats van donkere wouden krijgen we een duister moeras, geen plaatselijke boeren maar sympathieke jazzmuzikanten en het grootse bal maakt deze keer plaats voor de Mardi Gras parade. De keuze van New Orleans gaat gepaard met een heerlijke score van Randy Newman (die regelmatig met Pixar samenwerkt) die met de swingende jazz de film constant aan energie voorziet. De personages zijn op eenzelfde manier aangepast, zo is het hoofdpersonage Tiana geen prinses maar een hardwerkende serveuse en is haar antagonist de prins van platzakistan. Dr.Facilier is met sprekend gemak de beste Disney schurk in lange tijd die met voodoopraktijken en intimiderende schaduwen nog eens wat echte dreiging uitstraalt. En zelfs de comic relief sidekicks weten terug met enige regelmaat geslaagde grappen te vertellen; voor Louis de trompetspelende alligator ligt dat voor de hand, maar dat Ray de hillbilly vuurvlieg (in theorie vreselijk stereotyperend) grappig en aandoenlijk blijkt te zijn is toch wel verrassend te noemen.

Het zijn Ron Clements en John Musker die de traditionele animatie van Disney weeral lijken te redden. Deze tandem was ook al verantwoordelijk voor de heropstanding van Disney in de 90's en lijkt nu twintig jaar later hetzelfde nog eens losjes over te doen. The Princess and the Frog is een onderhoudend verhaal dat niet té veel probeert te zijn en zich aan een relatief hoog tempo ontplooit. Maar het belangrijkste is dat er terug ruimte is gebleken om binnen één Disney animatiefilm zowel geslaagde humor als droevige scènes te plaatsen, terwijl het totaalbeeld over de hele lijn hartverwarmend mooi is. We kunnen slechts hopen dat dit de voorbode is van een nieuwe generatie Disneypareltjes, want als er iets is waar de kinderen van vandaag ècht nood aan hebben zijn het wel wat èchte Disneyfilms, me dunkt.


8.0